Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
455.
Hcgf noch «ine ©fange in
ber ©chublabe.
3tun, fo bringe fte mit nebfl
meinem galjbein unb meinet
©cheere.
Sa haben ©ie aßeS, raaS ©ie
njünfchen.
trage biefen Brief auf bie <po(t.
g)Iu§ ich ihn franfiren?
3a, bu franfirft ihn.
bu ©eib bei bir?
Stein, mein .^err!
Sa halt bu jicolf ©rofchen.
SaS, was man bir h«rauS
geben toirb, i|t für beine
«Stühe.
3ch banfe 3^nen» mein .^«rr!
Er ligt nog eene pijp in de
lade.
Welnu, breng ze mij, als ook
mijn vouwbeen en mijne
schaar.
Zie daar alles, wat gij begeert.
Breng dezen brief naar de post.
Moet ik hem frankeeren?
Ja, frankeer hem.
Hebt gij geld bij n?
Neen, Mijnheer.
Daar hebt gij twaalf stuiver.
Wat men u terug geeft, is
voor uwe moeite.
Ik dank u, Mijnheer.
11.
Om Hoogduitsch te spreken.
3lt «é fd)on lange, mein J&err! bag
©ie bie beuffdje ©prach« l«rnen?
Stein, mein JF)err! nur feif ei?
nem halben 3'»^re.
Saé i|t nid)f möglich,
©ie fprechen ju gut für eine
fo furje 3eif'
©ie fdjerjen, ich »t>ei§ fa|t nichté.
-Birflich/ ©ie fpredjen recht
artig.
3ch wollte, baé eé tpahr roare.
©O irurbe ich wiffcn, roaé ich
nun nid)t tueig.
©lauben ©te mir, unb fprechen
©ie oft.
Um JU fprechen, mug man mehr
wiffen alé ich i^elg.
Hebtgij reedslangdeHoogduit-
sche taal geleerd. Mijnheer?
Neen, Mijnheer, eerst sedert
een half jaar.
Dat is niet mogelijk.
Gij spreekt te wel voor eenen
zoo korten tijd.
Gij schertst, ik weet bijna niets.
Waarlijk, gij spreekt zeer aar-
dig.
Ik wenschte, dat het waar ware.
Dan zoude ik weten, wat ik
nu niet weet.
Geloof mij, en spreek dikwijls.
Om te spreken, moet men meer
weten, dan ik.