Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
446
gKultipliclrcn, vermenigvuldi- Slnflreichen, kladschilderen.
gen. garben. verven.
Slöibiren, deelen. Jeichncn, teekenen.
@c^)reibcn, schrijven. Striefen, borduren.
Äkin fc^reibcn, klein schrijven. Scrgolben, vergulden.
@rog fchreibm, groot schrijven. SSerfilbcrn, verzilveren.
trlfeclrt, krabbelen. (Einfaffcn, in eene lijst zet-
3lbfchrctben, afschrijven. ten.
3lufrd;rctbctt, opschrijven. Brauen, brouwen.
31uffegen, opstellen. Badfen, bakken.
Unterfchreiben, onderteekenen. ©icben. koken, zieden.
Sictircn, dicteeren. @chlad;fen. slachten.
©chneibcn, snijden. Söbtcn, dooden.
SScrftegcIn, verzegelen. 3tbfd;neiben, afsnijden.
Sormachen, voormaken. Slbhauen, afhouwen.
Gorrigircn, jverbeteren. JPiolj fällen, hout hakken.
3Scrbeffern, ■^aden, vellen.
ainé(ïrctchen. uitstrepen. 3immern, timmeren.
Sluélöfchen, uitwisschen. Bauen, bouwen.
©chmiebcn. smeden. ©pielen, spelen.
pflügen. ploegen. ^fänber fpielcn, pand spelen.
6äcn, zaaien. aSctten, wedden.
^flanjen. planten. SBagcn, wagen.
Begießen, begieten. ©eroinnen. winnen.
spplücfen, plukken. Verlieren, verliezen.
Smpfcn, ' enten. jïrieg führen, ' oorlog voeren.
«Pfropfen, driegen, oorlogen.
Srnten, inoogsten. Sriebe mad;en, vrede maken.
©refchen, dorschen. €^:erciren, exerceeren.
SKahen, maaien. 5}ïarfchircn, marcheeren.
gaben, laden. ©charf laben, met scherp
SKeïfcn, melken. laden.
Sanjcn, dansen. Blinb laben. met los kruit
(Springen, springen. laden.
Scchten, vechten. 2lnfchlagen, aanleggen.
Steifen, reizen. Zielen, mikken.
aibreifen. vertrekken. Slbfcucrn, vuren.
Slnfommen, aankomen. ©chlcßcn. schieten.