Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
444.
Siuégchcn, uitgaan. 93erlcumben, lasteren.
SSorübcrgehen, voorbijgaan. ©chimpfen. schimpen.
€ntbcf;rcn. ontberen. 2lnfahren, toegrauwen.
Senfcn, denken. ©chelfen, schelden.
©cbcnfeii/ gedenken. Sefchimpfcn, beschimpen.
Scbcnfen, bedenken. Säbeln, berispen, bedil-
Ucbcrkgen, overwegen. len.
3vet>en, ©prcc^cn. spreken. Seife reben, zachtjes spre- ken.
Streiten, twisten, kijven. 3anfen, krakeelen.
Sluéfprechen, uitspreken. glnchen. vloeken.
^laubern, babbelen,praten.©chnjörcn, zweren.
Sro^en/ trotseeren. .^erauéforbern. uitdagen.
Schreien, schreien, schreeuwen. ©ich entfchlie? gen, besluiten.
Siuérufcn, uitroepen. Slngreifcn, aanvallen.
©c^rceigen, zwijgen. Sluémachen, uitmaken.
Scgcgnen, ontmoeten. ©d;lagen< slaan.
SJnrcben, aanspreken. SucHiren, duelleeren.
gragcn/ vragen. SinmiHigcn, toestemmen.
Scgehrcn, begeeren. ©trafen. straffen.
3üd;figcn, kastijden. SRiefen, niezen.
©id) roe^ren, zich weren. 3iffcrn, beven.
SJert^cibigcn/ verdedigen. ©chaubern. rillen, trillen.
Sefc^ü^cn, beschermen. ©ahnen, gapen, geeu-
55crd;amcn, beschamen. Slafen, blazen. (wen.
ontveinzen. ^Pfeifen, jluiten, pijpen.
(Singefic^en, bekennen. Siicc^en, ruiken,
Sufricben fttU [tevreden stellen, 1 doen bedarfiTi." rieken.
len, gevoelen, ont-
Sefänftigen, €mpfinben< waren.
©finfcn, stinken. .^ören. hooren.
behaupten/ staandehouden. .^orchcn. luisteren.
©ich irren, zich vergissen. ©ehcn. zien.
Ucbcrjeugcn, overtuigen. Slnfchcn, aanzien.
Semcifcn, bewijzen. Seobachfen, waarnemen.
'Biberkgen, wederleggen. Slinjeln, knipoogen.
Stticifeln, twijfelen. ©peien, spuwen.