Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
443.
Betrügen,
©fchkn,
©eheti/
Sreten,
Saufen,
SfJachlaufen,
Solgen,
€tlen,
Entlaufen,
©litfchen,
Saumein,
©c^roanfen,
©tolpern,
©trauc^eln,
Sin^olen,
Saßen,
SluSru^en,
€|Ten,
©peifen,
Äauen,
@ut leben,
Slbfc^neiben,
©c^neiben,
hoffen,
2Serfuchen,
Srühpden,
©ich anffet?
ben,
2tnjtcf)en/
©i^ auSflei?
ben,
SluSjichen,
3ufnöpfcn,
Sluffnöpfen,
3ufchnaßen,
3Juffchnaßen,
Sluffegen,
©ich bebecfen,
bedriegen,
stelen.
treden, trappen.
loopen.
naloopen.
volgen.
zich. haasten.
ontloopen.
glijden.
}tuimelen, wan-
kelen.
jstruikelen.
inhalen.
vallen.
uitrusten.
jet en.
kauwen,
raim leven,
afsnijden,
snijden.
proeven.
ontbijten.
>zichaankleeden
zichuitkleeden.
toeknoopen.
losknoopen.
toegespen.
losgespen.
opzetten.
zich dekken.
ïrinfen,
Seeren,
21uétrinfcn,
©ich betrinfen,
©ich übcrge?
bcn,
©ich erbrechen,
©chlafen,
QBachen,
21ufn)ccfen,
©chfummcrn,
Sinfchlafen,
Srauraen,
©chnarchen,
Slufnjachen,
21uf|lehen,
©ich KJafchen,
Äämmcn,
Srifiren,
träufeln,
ïpubcrn,
©ich fchminfcn,
Jufchnuren,
Stuffchnüren,
Bitten,
.grfuchen,
SIntroorten,
Scrfcgen,
Srroiebern,
(gr}ählen,
Befchulbigen,
Sïechtfertigen,
Sügen,
Slnfïehen,
©agen,
SSiberfprechen,
drinken,
uitdrinken, le-
digen,
zich dronken
drinken.
braken, over-
geven.
slapen,
waken.
wekken.
sluimeren.
inslapen.
droomen.
snorken.
ontwaken.
opstaan.
zich wasschen.
kammen.
krullen.
poeieren,
zich blanket-
ten,
rijgen,
losmaken,
ibidden, ver-
) zoeken,
antwoorden,
hervatten,
hernemen,
vertellen,
beschuldigen,
rechtvaardigen,
liegen,
aarzelen,
zeggen,
tegenspreken.