Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
442.
2Berfen, werpen. ©ich fürchten, bang, bevreesd
SOSegmerfen, wegwerpen. zijn.
2Jufhc6en, oprapen. Beruhigen, gerust stellen.
Verlieren, verliezen. 3Serficheren, verzekeren.
ginbcn. vinden. Süchten, rechten.
58cfbcrgcn, verbergen. Urtheilen, oordeelen.
SubccEen, toedekken. SSerfluchen, vervloeken.
2lufDccfen, ^ontdekken. ©cgnen, zegenen.
(SntbccEcn, Bei|tehcn, bijstaan.
S5cfchmu§cn, bemorsen, vuil maken. aïcriaffcn. verlaten.
tlnrcin ma? .^anbcln. handelen.
c^cn. jF)anblung trei? handeldrijven.
©Subern, \ . ben.
2luépu§cn, j-zuiveren. Behren, vegen.
Siethen, wrijven. Ueberfegen, overvragen.
Setgen, toonen. j?o(len. kosten.
©ich erinnern. zich herinne- Befietlen, bestellen.
ren. ©uchen. zoeken.
SÏSergeflfen, vergeten. ^)oIen, halen.
Slrgwöhnen, verdenken. Uebermachen, overzenden.
3tt Sicht nch? men, in acht nemen. ©chiden, ©enben, jzenden.
Steht geben. opletten. gurüdfchtcfen, terug zenden.
Beobachten, gadeslaan. 33erfaufen, verkoopen.
©ich cinbitben. zich inbeelden, jïaufcn. koopen.
©ich Porflellen, zich voorstellen. Sinfaufcn, inkoopen.
SBünfchen, wenschen. Bejahten, betalen.
Seiten, leenen. ©ich fättigen, zich verzadigen.
SStebergeben, terug geven. Sa(ïen, vasten.
Borgen, borgen. ïracttren, trakteeren.
BeroiHigen, bewilligen. Beroirthen, onthalen.
Stuégeben, uitschieten. 23erfchtegen, verschieten.
Saufchen, verruilen. Bebtenen, bedienen.
ginpaden. inpakken. Sjorfchneiben, voorsnijden.
SJugpacEcn, uitpakken. Ueberretchen, overreiken.
€inn)icfetn. inwikkelen. Sïehmen, nemen.
25erpfänben, verpanden. ginfchenfen. inschenken.
jF)tntergehcn, misleiden. aSerfchütten, storten.