Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
441.
\)3rebtgcn, prediken. 3)iiethcn, huren.
.^cirafhen, ©eben, ] 1 geven, schen-
©ich trouwen. ©chenfen, J [ ken.
rathcn, 23erchren, vereeren, een ge-
Slhfchtagcn, weigeren. schenk geven.
Kranï »erben, ziek worden. gortjagen, wegjagen.
Sefuchcn, bezoeken. Sagen, jagen.
©id; beffern. zich beteren. Surüdrnfen, terug roepen.
©cnefen, genezen. Slufen, roepen.
3iennen, noemen. •feigen, heeten.
23crmachcn, vermaken. Klingeln, ] j-schellen.
©terben. sterven. ©chellcn, J
Scgrabcn, begraven. Slufmachcn, openmaken.
58ermcfen, bederven. eingehen, ] lingaan, binnen-
ïSerfaulen, verrotten. .Hineingehen, J 1 gaan.
21ufer(ïehen, wed erop staan. Sumad;en, ] 1 toemaken, slui-
(Srben, erven. 23erfd;llegcn, J [ ten.
enterben. onterven. Serroahren, bewaren.
ïrauern, rouwen. Schalten, behouden.
befehlen. bevelen. J^inaufgehen, naar boven
33erbicfen, verbieden. gaan.
Slathen, raden, raad ge- J^innnfergchcn, naar beneden
ven. gaan.
errathcn. raden,een raad- sel oplossen. entgegen ge? hen. te gemoet gaan.
iJJbrafhcn, jafraden. Serühren, aanraken.
ÏÏJiberrathen, Setaflcn, betasten, be-
(Behorchen, gehoorzamen. voelen.
©agen. zeggen. Sinben, binden.
2iuflöfen, älnbinben. ontbinden, vast binden. ©lücÊ ïounf fehen. geluk wen- schen.
Poébinben, losmaken. ©ratullrcn.
Slnfpanncn, aanspannen. 2}erlangen, begeeren.
aiuéfpanncn, uitspannen. SSBotten, willen.
Ueberrctchen, overreiken. •Hoffen, hopen.
älnnchmen, aannemen. SScrjmcifeln, wanhopen.
Serreigen, verscheuren. gürchtcn. vreezen.
Serbrechen, breken. Serfïücfen, verbrijzelen.