Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
439.
©chnjcr/
©chminbfüchtig,
©chulbig,
©elig,
©eltfam,
©icfjer,
©ic^tbar,
©onbcrlich,
©onbcrbar,
©orgfälttg,
©til, ruhig/
©fofj,
©trafbar/
©trcng,
©tumm,
©türmifch/
Sapfer,
Säglich,
Steuer,
Sief,
SoH, unftnnig,
Srculoö,
Sro^ig,
Srunfcn,
Süchtig,
Unpäglich,
Sugcnbhaft,
Ucbcrflüfftg,
Ucbcrmäglg,
Unangcuchtn,
Unartig,
Unftcrblich /
Untrojlbar,
Uupcrglcichlich,
Unpcrmcibllch,
zwak; sterk,
zwaar, onge-
makkelijk,
teringachtig,
schuldig,
zalig,
zeldzaam,
zeker, veilig,
zichtbaar,
bijzonder,
zonderling,
zorgvuldig,
stil, rustig,
trotsch.
strafbaar,
streng,
stom.
stormachtig.
dapper.
dagelijks.
duur.
diep.
dol, zinneloos.
trouweloos.
troostloos.
trotsch.
dronken.
bekwaam.
ongesteld.
deugdzaam.
overtollig.
buitensporig.
onaangenaam.
ondeugend.
onsterfelijk.
ontroostbaar.
Unbcipcgltd;,
Unbewohnt,
Unbanfbar,
Uneben,
Unehrlich,
Unenblich,
Unerhört,
Unermeßlich,
Unerträglich /
Unfehlbar,
Unfruchtbar,
Ungebulbig,
Ungehorfam,
Ungelehrig,
UngefchicEt,
Ungefunb,
Ungeitaltet,
Ungeflüm,
Ungetreu,
Ungewiß,
Ungleich,
UnglücJllch,
Unheilbar,
Unhöflich,
Unfenntli(h,
Unmöglich,
Unnöthig,
Unnüg,
Unfauber,
Unrein,
Unrechtmäßig,
Unfchä^bar,
Unfchulbig,
Untlchtbar,
Slßahrhaft,
Untüchtig,
onvergelijkelijk, ffiahrfcheinlich/
onvermijdelijk. ?!S5arm,
onbeweeglijk.
onbewoond.
ondankbaar.
oneven.
oneerlijk.
oneindig.
ongehoord.
onmetelijk.
onverdragelijk.
onfeilbaar.
onvruchtbaar.
ongeduldig.
ongehoorzaam.
onleerzaam.
onbekwaam.
ongezond.
mismaakt.
onstuimig.
ongetrouw.
onzeker.
oneven.
ongelukkig.
ongeneeslijk.
onbeleefd.
onkenbaar.
onmogelijk.
onnoodig.j
onnut.
onrein.
onrein.
onwettig.
onschatbaar.
onschuldig.
onzichtbaar.
waarachtig.
onbekwaam.
waarschijnlijk.