Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
437.
gngej fchmal,
gurchtfam,
©arflig,
©ebürfig,
Oebulbtg,
©cfährlich,
©efräßig,
©cgcniüärfig,
©cheimnigooCf,
-g)öcferig,
©dfïrctch,
©cijig,
©drümmf,
©ebogcn,
©clcgcn,
©clc^rtg,
©emein,
©cnau,
©cncigt,
©croogcn,
©cring,
©crcc^t,
©cfchicft,
©efchrooKcti,
©crobhnltch'
©laft,
©chlüpfdg,
©(dchgülfig,
©lüdlirf),
©(ücffdig,
©ottcófürchfig,
©ötflich,
©ottloé,
Oiraufam,
Schcuflich,
©raulich,
eng, smal.
vreesachtig,
beschroomd,
leelijk.
geboortig,
geëerd,
geduldig,
gevaarlijk,
gulzig.
tegenwoordig.
geheimzinnig.
hobbelig.
geestig.
gierig.
gelegen,
leerzaam,
gemeen,
nauwkeurig.
1 genegen, gun-
ƒ stig.
gering,
rechtvaardig,
bekwaam,
gezwollen,
gewoonlijk.
glad.
onverschillig.
gelukkig.
gelukzalig.
godvreezend.
goddelijk.
goddeloos.
wreed.
Igruwelijk, ijse-
I lijk.
fruchtbar,
@ro§j fldn,
©rogmüt^ig /
©ünflig,
Späßlic^f
Mtis, WS'
J&dlig,
fait,
^erjlich'
•OW,
•C'ohl,
•Oollifch,
.Oungcrig,
3ahrlich,
3nncrlich,
jïahï,
Äarg, fïtjig,
j?inbifch,
Jïinblich,
©erabc,
Älar, hcK'
Älug,
iïraffig,
jïranf, gefunb
iïraué,
jïrumm,
jïranfltch'
Äühn/
grccf),
toji lang,
Sad)crÜd),
£aï)m>
Êangfam,
Êangmcilig,
Sajlcr^aff,
vruchtbaar,
groot; klein,
grootmoedig,
gunstig,
leelijk.
hevig,
heilig,
heet; koud.
heerlijk,
hartelijk,
hemelsch.
beleefd,
hol.
helsch.
hongerig,
jaarlijksch.
inwendig, in-
nerlijk,
kaal.
karig, gierig,
kinderachtig,
kinderlijk,
recht, recht uit.
klaar, helder,
voorzichtig,
krachtig,
ziek; gezond,
gekruld,
krom.
ziekelijk.
1 stoutmoedig,
' vermetel,
kort; lang.
belachelijk,
lam.
langzaam,
vervelend,
ondeugend.