Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
435
ber SaSurfel, dobbelsteen. ©chatfenfpiel, tooverlantaarn.
schaakspel. ^uppcnfpiel. poppenspel.
schaakbord. auf @(eljcn op stelten gaan.
BrcftfpicI, tiktakspel. gc^cn,
Samcnfpiel, damspel. eine (Schaufel, eene schommel.
©anfefpiel; ganzenspel. echncllfaul? 1
Äegeffpief, kegelspel. c^en, [knikkers.
bic Kegelbahn/ de kegelbaan. ©chüffer, )
ber iïcgel. de kegel. ©plcljeug, n. >55n PP 1 OTi Pn
bie Jïugef, de bal. (3pielfacï;en, / öJJ C CIK U CQ •
SSlinbefuhfpicf, blindemanne- bie ©parbüchfC/ de spaarpot.
tjespel. •
B ij V 0 e g e 1 ij k e naamwoorden.
3ibergläublfch/ bijgeloovig. Baufällig, bouwvallig.
Slbcrroifeig, waanwijs. BefTccffr bevlekt.
3ibgelegen, afgelegen. Befubelt, bezoedeld.
Slbgefchmacft, laf, onge- Begierig, begeerig.
rijmd. Bcherjt, moedig.
aibfcheuiich. afschuwelijk. Befannf, bekend.
giiHcIn, 1 11 Berebfam, welsprekend.
21 Kein, /alleen, enkel. Bereif, fertig, klaar, gereed.
21Itgcniein/ algemeen. Berühmt, beroemd.
Sinmachttg, almachtig. Befchämt, beschaamd.
SJIfi jung, oud; jong. Befcheiben, bescheiden.
2lngcnehm, aangenaam. Befchroerlich' lastig.
2Jnmuthig, bekoorlijk. Beflänbig, bestendig.
2Jnfïanbig, betamelijk. Befiürjt, iverwonderd,
21n(lccfcnb, besmettelijk. gr(ïaunf. ' verbaasd.
gjrbcitfam, werkzaam. Betäubt, bedwelmd.
2Jrm, bürftig, arm, behoeftig. Betrübf, bedroefd.
2lrmfclig, ]armzalig, ellen- Bevjuem, gemakkelijk.
(Eïenb, j dig. Bemeglich' beweeglijk.
2Jrtig, hubfch. aardig, mooi. Bezaubert, betooverd.
Slufinerffam; oplettend. .g>öch|l erfreut« ten hoogste
Slufric^flg, oprecht. verblijd.
Sluécrlefen, uitgelezen. Biegfam, buigzaam.
Barm^erjig, barmhartig. Billig, billijk.
28*