Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
419
«in Stac^cn, m.
«in 3ad;f, n. 2.
«in giog (ö),
«in ^Oïatrof«,
5Sooféfn«c{;t,
baé Kubcr,
©teucrrnber,
b«r Sïïad,
b«c 5}?a|ï6aum,
bi« glagg«,
b«r SBimpel,
b«r 2Jnf«r,
b«r Sompag,
@d;ro«inchict,
«in 55aucr,
ein SJIaher,
cine ©enfe, 3.
«in« .^cugabel.
eene schuit, ber .^aiferling,
een jacht. baé-^acffcl,
een houtvlot. ©trof;f)alm, 2.
een matroos, een Sagclö^ticr,
bootsgezel, .^anblanger.
de roeiriem,
roer.
de mast.
de vlag.
de wimpel,
het anker,
het kompas,
varkensdrijver, ein Kned;t, 2.
een boer. ber Slrme,
een maaier. ber Settler,
een zeis. ein ©flabc, 3.
eene hooivork. Sobtengraber,
Kohlenbrcnner,
baé SJerbecf,
baé ©egel,
Safchenfpicler,
©eiltanicr,
J^anémnrlï (ü),
©chafer,
iïuhhict.
het gehakte
stroo, haksel.
stroohalm.
daglooner.
opperman,
kolenbrander.
Ijet dek.
het zeil.
goochelaar,
koordedanser.
hansworst,
schaapherder,
koeherder,
een knecht,
de arme.
de bedelaar,
een slaaf,
doodgraver.
Vrouwelijke hanteeringen.
cine3?ahcrin,
cine a^at^crin,
baS JRahfiffcn,
bie SRath (a),
©aumen,
cin iRal)uabeI,
bie ©tecfnabel,
bie ©pi^e, 3.
baS 31abclohr,
a^abclbuc^r«,
3?abclfififen, n.
3roirn, m. 2.
®arn, n. 2.
«in j?nau«l,
3mirn,
b«r ©trang,
|eene naaister.
het naaikussen,
de naad.
zoomej.
eene naald,
de speld,
de punt.
het oog van
eene naald,
naaldenkoker,
speldenkussen,
garen.
een kluwen
garen,
de streng.
3öafd;crin,
3Bafchcn,
bic Slïahlabe,
bcr ©anm (au),
bi« ©«if«, 3.
«in glecfen, m.
©tarfe, f. 3.
«ine SSafch?
fufe,
5Bafchbuftc,
ber SIcich?
Sleichgartcn,
SIcich«n,
Scinenjeug,
bie IBafch«,
2Bad;é, n. 2.
waschvrouw.
wasschen.
het naaikistje,
de zoom.
de zeep.
eene vlak.
stijfsel,
leene wasch-
kobbe, wasch-
'kuip.
de bleekerij.
I
bleeken.
linnengoed,
de wasch.
was.
27*