Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
408.
bcr j?nopf((>),
baé SBcfchlage,
etne ©terfnabef,
©chnupftuch,
bie BriKc, 3.
gernglaé, 4.
^erfpecftcchen,
ein SSergröge?
rungégfaé,
ein Brennglaé,
4.
de knop.
het beslag,
eene speld,
zakdoek,
de bril.
verrekijker,
kijkertje,
een vergroot-
glas,
een brandglas.
ber Bentel, 1.
bte Bürtïe, 3.
21uébür|tett,
bie ©chu^c
pugen,
ber Kegen?
fchirm, 2.
ber ©onnen?
fchirm, 2.
de beurs,
de schuier.
borstel,
uitschuieren,
afborstelen,
de schoenen
poetsen,
het regen-
scherm,
het zonne-
scherm.
Over de levensmiddelen.
bie Sebenémit?
tel, n. 1.
bte ©petfe, 3.
baé gietfch, 2.
©efotteneé, 2.
©ebrateneé, n.
Braten,
geraucherteé
gleifcb,
etn ©ertc^t, 2.
bic ©iippc, 3.
btc Brü^e,
Sleifchbrü'hc,
Sitnbfleircl), 2.
jfalbfleifch, 2.
j?albébraten,
gebampftcé
gletfch, n.
©chöpfen?
flctfch ,
©cf;n5cinefleifch,
©ped,m. 2.
gctt, n. 2.
de levensmid-
delen,
de spijs,
het vleeseh.
gekooktvleesch.
1 gebraden
j vleeseh.
gerookt vleeseh.
een gerecht,
de soep.
de saus.
vleeschnat.
rundvleesch.
kalfsvleesch.
kalfsbraad.
gestoofd
vleeseh.
schapenvleesch,
varkensvleesch.
spek.
vet.
bcr ©c^infen,
bte ©chirartc,
ctn ©c^nitt,
etn Biffen, 1.
ctn ©tücf, n. 2.
etn 53ïnnbt5on,
2Öur(ï, f.
baé ©emüfe, 2.
J^iülfenfrüchte,
Brob, n. 2.
roetgcé Brob,
fchroarjcé Brob,
frtfchcé Brob,
ctn gjttlchbröb?
cl;en,
ctne ©emmcl,
eine SOSede,
bte 3iinbe,
,tru(!c, 3.
btc Jïrurac, 3.
etnc ^afïete, 3.
eine Sorte, 3.
cin Änchen, 1.
de ham.
het zwoord,
eene snede,
een beet.
een stuk.
een mondvol,
worst.
de groenten,
peulvruchten,
brood,
wit brood,
bruin brood,
versch brood.
een broodje.
de korst.
de kruim,
een pastei,
eene taart,
een koek.