Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
406.
bie Bafe, 3.
Êoufine,
bie Vei'tüanbteii,
m. 3.
jBeitlaufi'ge 2Ser?
wanbten,
bie Vorfa^ren,
ber Sieb^aber,
bie Siebfte,
baé 23er[pbnig/
bet Verlobte,
eine 23etIob(e,
bet Braufigam,
bie Braut (au),
bet ©atte,
bet ©emahi/
bie ©attin,
©emahiin, 3.
de nicht, (doch-bie .^ochjeif, de bruiloft,
ter van een bie Sïtifgabe,
oom of van baé .^eitathé;
eene moei.) gut4. (ü)/
de bloedvrien- ber , de gehuwde
den ofnabe- staat.
het uitzet, hu-
welijksgoed.
staand en.
verre bloed-
vrienden,
voorvaders,
de minnaar,
de minnares.
berlebigeSfanb/de ongehuwde
2.
eine iSittme, 3.
bet €tbe» 3.
JioiHinge, m.
bet SRame, 3.
de ondertrouw. Saufname, 3.
de verloofde, ein Beiname,
eene verloofde. Juname/
de bruidegom, bet 23ormunb,
de bruid. ein SKünbel, 1.
Ide echtgenoot, pfiegefiub,
I gemaal. eine 5ffiaife,
Ide echtgenoote,
I gemalin.
staat,
eene weduwe,
de erfgenaam,
tweelingen,
de naam.
doopnaam.
jeen bijnaam.
de voogd.
een pupil.
een of eene
wees.
Kleeding en opschik.
baé iïleib, 4.
ein SvocE (ö),
«in Ueberrocf,
bet Siermel, 1.
bet Sluffchlag,
ber jïragen,
baé Sutfer, 1.
bie Safere/ 3.
berUhtfacf 2.
(a),
ber jlnopf,
Jinopflodh,
bie 2öc(ïe, 3.
baé ©ilet', 2.
het kleed,
een rok.
een jas.
de mouw.
de opslag,
de kraag,
de voering,
de zak.
de horlogezak,
de knoop,
knoopsgat,
het vest.
het vestje.
baé .K'antifol,
bieSeinfleiber,
J^ofen,
bet ©chlafrorf,
2. (ö),
ein peljrocf/
bie pertücfe, 3.
bie Socfen, f.
bet .Ê)uf, 2. (ü),
bie SKüge,
Jïappe,
bie 3tachfmüge,
bte J&alébinbe,
3.
de borstrok.
|de broek.
de kamerrok,
japon,
een pels.
de pruik,
de lokken,
de hoed.
de muts,
pet.
de nachtmuts,
de halsdoek,
de das.