Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
27
18.
Het goud 1 alleen 2 maakt ons niet gelukkig^-, want de
grootste 4 schatten 5 zijn somwijlen niet toereikend 6, om al
onze 7 wenschen 8 te vermdle7i 9. Het ware 10 geluk 11
bestaat mi 12 de beoefening 13 der deugd 14. De oorlog 15
ontvolkt gewoonlijk IQ de steden, stremt 17 den koophandel 18
en doet 19 de kunsten 20 kwijnen 21.
2.
1. n.
2. allein.
3. mac^)t uné nlc^f
glücflid).
4. bcnn bic größten.
5. (a) m. 2.
6. reichen biémeikn
nic^t ^(n.
15. jïrieg, m.
16. entüplfcrt ge;
17. ^cmmt.
13. .^anbel, m. 1.
19. macftt bag.
20. Äun|T, (ü)f.2.
21. roeUen.
7. alle unfere.
8. aBunfct>,(ü)m.2.
9. JU erfüllen.
10. rca^re.
n. ©lücf, n. 2.
12. bellest in (3).
13. aiuéübung, f.
14. Sugcnb, f. 3.
19.
De koeien 1, de schapen, de zwijnen en de ganzen 2 zijii zeer
nuttige 3 dieren 4. De muizen 5 zijn de kleinste 6 der viervoetige 7
dieren. De honden 8 zijn getrouw 9 aan de menschen zeer
gehecht l\. De vos is een zeer listigll dierj de snelheid 13
zijner 14 voeten 15 is niet altijd toereikend , om hem 11
aan de honden, die hem vervolgen 18, te doen ontsnappen .
1. jïu^, (Ü) f. 2. 8. jTpunb, m. 2.
2. ©ané, (ä) f. 2. 9. getreu.
3. fc^r nü§lict;e. 10. ben SKenfc^)en.
11. fe^r ergeben.
12. ein fe^r lifligeé.
13. ©efc^winbigfeif,
f.
20.
De oostersche 1 dichters noemen 2 de leugen 3 de moeder
van het bedrog 4, en den toorn 5 den vader der grootste 6 misda-
den 7. Bij 8 de Olympische 9 spelen werd 10 het lichaam 11
zoo wel als 12 het verstand 13 der jongelingen geoefend 14.
1. orientalifc^en. 5. 3orn, m. 9. olpmpifc^en.
2. nennen. 6. grögeftcn. 10. murbe.
3. güge, f. 7. SJerbrec^cn, n. 1. 11. jïórper, m. 1.
4. gSefrug, m. 2. 8. bet, (3). 12. fonjo^l alé.
4. S:^)ter, n. 2.
5. gjlaué, (au) f. 2.
6. fleinfïen.
7. t)icrfü§igen.
14. feiner.
15. g-ug, (ü) m. 2.
16. if{ nid;t immer
^inreic^cnb..
17. um il)n.
18. bieten verfolgen.
19. JU entjiel)en.