Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
355.
en schijnt voor u niet het morgenrood 6, gelijk in Eden, en de
dauw 7 glinstert aan de bloemen en halmen 8. — Ach
Zilla, mijne arme vrouw, hernam Kaïn, ik zie in het mor-
genrood slechts het bloedend hoofd 9 van Abel, en in den
dauw hangt aan eiken halm een traan, en aan elke bloem
een bloedige droppel! En wanneer de zon opgaat zie ik
achter mij in mijne schaduw Abel den verslagene; en vóór
mij, mij zelven, die hem doodsloeg. Heeft niet het ruischen 10
der beek eene stem, die om Abel klaagt, en zweeft 11 mij
niet in het suizen 12 van den verkoelejiden wind zijn
adem 13 tegen 14?
1. untcrbrc? 4. ©ame, m. 7. S^au. H- fchroeScn,
c^en. 5. gurc^e, f. 8. ^alm, m. 12. J^aud), m.
2. bauen. 6. gJIorgenrc? 9. J^aupt, n. 13. Dbcm, m.
3. (ïrcucn. t^i, 10. Stiefeln. 14. entgegen.
59. Vervolg.
Ach, verschrikkelijker dan het woord des toorns 1, dat in
den donder sprak en mij toeriep: „waar is uw broeder Abel?"
is mij de zachte 2 stem, die mij overal omringt 3. En komt
de nacht — ach, hij omvangt 4 mij, als een donker 5 graf,
en om mij heen is een doodenrijk, dat mij alleen omsluit. —
Slechts de middag is mijn uur, wanneer de zon mijnen sche-
del verzengt 6 en mijn zweet 7 in de voor druipt 8, en geene
schaduw mij omgeeft! — Toen sprak Zilla: Kaïn, mijn ge-
liefde, zie, daar komen onze lammeren! wit als de leliën 9
des velds en met hunne uiers 10 vol melk, huppelen 11 zij
vroolijk in den glans van het avondrood. — Kaïn, zag met eenen
strakken 12 blik en riep: ach, dat zijn Abels schapen! Zijn
zij niet rood van Abels bloed? Hun blaten 13 klaagt om Abel!
1.3orn, m. 5. büfïer. 8. (riefen. 11. hüpfen.
2. leife. 6. fengen. 9. giüe, f. 12. (iier, (ïarr.
3. umfließen. 7. ©chroeiß. 10. guter, f. 13. SBlöfen.
4. umfangen.
60. Vervolg en slot.'
Toen weende Zilla en sprak: ben ik dan niet Zilla, uwe
vrouw, die u bemint? — Hij echter antwoordde: hoe kunt
23*