Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
354.
56. Kaïns klachten (•).
Toen Kaïn in het land Nod woonde aan gene zijde van
Eden, zat hij eens onder eene therebinthe (terpentijnboom 1)
en hield zijn hoofd op zijne handen gesteund 2 en zuchtte 3.
Zijne vrouw was uitgegaan om hem te zoeken en droeg haren
zuigeling 4 op de armen. Toen zij hem nu gevonden had,
stond zij lang naast hem onder de therebinthe en hoorde het
zuchten van Kaïn. — Dan sprak zij tot hem: Kaïn, waarom
zucht gij {tweede pers. enkelv.) en is er 5 dan geen einde
aan uw jammeren 6? — Toen schrikte hij, hief zijn hoofd
op 7 en sprak: ach, zijt gij het Zilla? — Zie, mijne zonde
is grooter, dan dat zij mij moge vergeven worden. — En als
hij dit gezegd had, liet 8 hij op nieuw zijn hoofd zakken 8
en bedekte zijne oogen met de hand.
l. ïcrcbinthc, f. 2. jTügcn. h.Uijftweg. 7. cmpor.
Serpentin? 3. feufjcn. 6. bcineé ^am? 8. fenfen.
baum, m. 4. ©augllng. mcrné fein Snbc.
57. Vervolg.
Zijne vrouw echter sprak met eene zachte stem: ach. Kaïn
de Heer is barmhartig en van groote goedheid. — Toen Kaïn
deze woorden hoorde, schrikte hij op nieuw \ en sprak, o,
moet 2 ook uwe tong mij een angel 3 worden, die mij het
hart doorboort! — Zij echter antwoordde: dat zij verre van
mij. Zoo hoor toch. Kaïn en zie 4 om u heen. Bloeien niet
onze korenvelden 5 en hebben wij niet tweemaal rijkelijk ge-
oogst 6 ? Is ons dan de Heer niet genadig en doet hij ons niet
milddadig 7 wel? — Kaïn antwoordde: aan u Zilla, aan u en
uwen Hanoch! niet aan mij! Ik erken slechts in zijne goed-
heid hoe ver ik van hem was, toen ik Abel — doodsloeg 8.
1. üon neuem. 3. ©tackel, m. 5. @aat, f. 7. milbt^atig.
2. follen. 4. fc^auen. 6. ernten. 8. crfc^lagen.
58. Vervolg.
Toen viel 1 hem Zilla in de rede 1 en sprak: bebouwt 2 gij
dan niet den akker en strooit 3 gij niet het zaad 4 in de voor 5
(*) Naai- Krummacher.