Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
353.
wonde in het onderlijf toebracht 3, dat de dood onmiddel-
lijk ^ er op h scheen te moeten volgen. De kapitein was
er nu slechts op bedacht om de huid niet verder 6 te kwet-
sen 7 en volgde hem van nahijg om af te wachten tot het
dier nederstorten zoude. De beer echter, die eene lage 9 rots
beklommen 10 had, deed 11 van hier 12 en op 13 eenen af-
stand van vier en twintig voet eenen sprong 14 op den kapi-
tein, die, op deze wijze plotseling overvallen, zijne lans liet
vallen en onder zijnen aanvaller nederzonk. Deze legde hem
beide pooten 15 op de borst, opende twee rijen vreeselijke
tanden en toefde 16 een oogenblik, als het ware 17 om
hem de verschrikkelijkheden 18 van zijnen toestand 19 te
toonen.
1.'Schipfapltan. 6. weiter. 11. machen. 16. jaubern.
2. Sanje, f. 7. pcrlcgen. 12. oon hieraué. 17. gleichfam.
3. beibringen. 8. in bcr 9^ahc. 13. in. 18. ©chred?
4. unmittelbar. 9. niebrig. 14. ©a§,m. nig, f.
5. barauf. 10. crflimmen. 15. Sage, f. 19. gage, f.
55. Vervolg en slot.
In dit hachelijk 1 oogenblik gelukte het eenen matroos,
die, slechts met eene schop 2 gewapend, toesnelde 3, het
monster 4 te verjagen 5, hetwelk wegging 6, zonder den ka-
pitein het geringste nadeel 7 toegebracht 8 te hebben. —
Scoresby maakt melding 9 van de manschap eener boot 10,
welke eenen beer in de wateren 11 van Spitsbergen aanviel.
Het gelukte het dier echter de boot te beklimmen 12, waarop
de matrozen terstond in het water sprongen en zich aan de
kiel 13 vasthielden. De overwinnaar 14 s^ee^ 16 zegepralend 15
in 16 en nam bezit van de boot, in welke hij gerust bleef
zitten, tot hij door andere matrozen dood geschoten 17
werd.
1. fritifch. 6. bauon gehen. 11. @en)a(fcr, 15. triumpht'
2. ©chaufel, f. 7. ©chabcn. n. renb.
3. herbeieilen. 8. jufügen. 12. crflettern. 16.cinfteigen.*
4. Ungeheuer. 9. erwahnen,(2). 13. Jficl, m. 17. erfchiegen.
5. ücrfdjeuc^en. 10.5ßoot, n. 14. ©leger.
14° DiiuK. 23