Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
348.
zeer lange stoottanden 3 voort 2, die van verschillende 4 lengte
zijn, van twee tot acht voet en aan het onderste 5 einde wel
eenen halven voet dik en welke het bekende ivoor 6 geven. De
neus is in eenen snuit 7 verlengd 8, die uit vele duizende
in elkander gevlochten 9 spieren 10 samengesteld 11 en in
elke richting beweegbaar is. Deze snuit dient hem tot eene
hand; hij grijpt daarmede alles, brengt het in den muil 12,
maaht 13 knoopen 14 los 13, plukt 15 bloemen, raapt 16 munt-
stukken 17 en andere kleine zaken o/) 16, opent 18 flesschen
en brengt den inhoud 19 in den muil zonder eenen droppel
te storten 20. Ook bezit hij daarin zulk eene kracht, dat hij
den sterksten tijger daarmede nederslaat; kortom 21 deze
snuit is het volkomenste lid 22, hetwelk eenig 23 dier bezit.
1. Dberfinnla? 6. (Elfenbein,n. 12. ©faul, n. 19. 3nf)alf,m.
be, f. 7. iXüffel, m. 13. aufiöfen. 20. eerfc^üt?
2. hereorragen.
3. etogjahn,
m.
4. üerfchieben.
5. unter.
8. ücrlangcrn.
9. üerflochtcn.
10. gWuéfcl, m.
11. jufammen?
fefeen.
14. j^nofen, m.
15. pflücEen.
16. aufheben.
17. ?9?ünje, f.
18. entfïöpfeln.
fen.
21. furj.
22. ©lieb, n.
23. trgenb ein.
46. VervolK en slot.
De olifant leeft in lommerrijke 1 wouden, in kudden 2, vreet
wortels, bladeren, takken 3 en vruchten. Over het algemeen
is hij goedaardig 4, in de natuur echter wild; daar^ry))(! 5 hij
zijnen vijand met den snuit aan 5, werpt hem op den grond 6
doorboort hem met zijne stoottanden en verplettert 7 hem met
de voeten. In den strijd 8 met leeuwen en tijgers bezwijkt 9
hij zelden; wanneer deze laatste hem op den rug springen en
hunne klauwen in zijnen hals slaan om hem te verstikken 10,
dan wentelt 11 hij zich gewoonlijk op den grond en zoekt den
vijand dood 12 te druhhen 12. — Bewonderenswaardig is de
leerzaamheid 13 en wijsheid 14 van den olifant en nog grooter
1. fchaftig.
2. J^ecrbe, f.
3. Jmeig, m.
4. gufmüfhig.
5. ergreifen.
6. JU Boben.
7. jcrmalmen.
8. jïampf, m.
9. erliegen.
10. erilirfcn.
11. raaljen.
12. crbrücfen.
13. ©clel)rig?
feif.
14. f lugheif.
15. UnteriDÜr?
figfelt.
16.@anff?
mufh, f-