Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
319.
voorzin geheel het tegendeel van den nazin zegt; aber voegt
er over het algemeen slechts iets anders bij, en bevat de
zwakste tegenstelling; aUcin brengt iets beslissends tegen het
te voren gezegde in, waardoor het, als het ware, weder ont-
kend wordt. De volgende voorbeelden zullen dit onderscheid
duidelijk maken:
cr rooHte mohl, allein er fann nic^t, hij wilde wel, maar
hij kan niet.
ich leugne eé nicht, fonbern ich jmcifle nur baran, ik ontken
het niet, maar ik twijfel er slechts aan.
id; leugne eé nicht, aber ich jwcifle boch baran, ik ontken
het niet, maar twijfel er toch aan.
nicht cr, fonbern ich, "iet hij, maar ik.
ich erroartcte ihn, aber cr fam nicht, ik verwachtte hem,
maar hij kwam niet.
er hat gute Einlagen, allein er i(l nicht fleißig, hij heeft een
goeden aanleg, maar hij is niet vlijtig.
2llé en roie moeten niet met elkander verwisseld worden,
alé beteekent eene volkomene overeenstemming en gelijkheid,
n)ie daarentegen slechts eene gelijkenis; b. v. cr (ïarb alé ein
J^elb, hij stierf als een held; fte blüht mie eine 3lofe, zij
bloeit als eene roos. Als tijdbepalend voegwoord gebruikt
men alé gewoonlijk voor het verledene, terwijl voor het tegen-
woordige even zoo dikwijls mie gebruikt wordt: 3llé ich ®or
bcr Shür flanb ging bein Sruber ttorbei. Toen ik voor de deur
stond ging uw broeder voorbij. 2Bte cr mich ficht, ftürjt er auf
mich JW. Zoodra hij mij ziet, stort hij naar mij toe.
Obgleich, obfd;on, objmar, menngleich, ofschoon, hoewel,
alhoewel, menn auch, indien ook, njenn nur, indien slechts,
worden telkens gescheiden, als de eerste naamval van den
zin een persoonlijk voornaamwoord is, in dier voege, dat
deze zijne plaats in liet midden vindt, als:
ob ich gleid; nicht mei§, ofschoon ik niet weet.
menn 3hr auch Sl'eunbe hättet, al haddet gij ook vrienden.
Maar indien het onderwerp geen persoonlijk voornaam-
woord is, dan moeten die woorden niet gescheiden worden, als:
obgleich biefeé ^fcrb fein Snglanbcr ifï, schoon dat paard
geen Engelsch paard is.