Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
307.
kreeg 14, iu de groote Zuidzee 15 of den grooten Oceaan 16
en steeds in eene 17 westelijke richting door dezen Oceaan naar
Azië. Op eene der Philippijnsche eilanden 18 werd hij, wel
is waar 19, in een gevecht met de inwoners gedood 20; maar
zijne reisgenooten 21 zetleden 22 de vaart 23 altijd in eene
westelijke richting voort 22, kwamen aan de Kaap de Goede
Iloopl^ en bereikten in het jaar 1522 gelukkig Spanje weder.
13. golge, f. 3.
14. erhalten.*
15. ©übfee, f. 3.
16. Dcean, m. 2.
17. wordt niet ver-
taald.
23. gahrt, f. 3.
24. baé Vorgebirge
ber guten .^off?
nung.
18. 3nfel, f. 1.
19. iwar.
20. tobten.
21. ©efahrte, m. 3.
22. fortfegen,
{scheidbaar.)
194.
Eene bijzondere 1 uitvinding van den Noorweger 2 zijn de
sneeuwschaatsen 3 {shier) met welke hij snel en licht over de
diepe sneeuw heenglijdt 4 en in (den) staat 5 is de bosschen 6
in alle riclitingen te doorkruisen 7 om zijn geliefkoosd ver-
maak 8, de jacht 9, te kunnen nagaan. Deze sneeuwschaatsen
bestaan uit twee dunne smalle 10 stukken dennenhout 11 van
ongelijke lengte 12 en met het voorste 13 gedeelte 14 spits 15
en naar boven 16 gekeerd 17. De langste van zeven voet,
wordt aan den linker 18, en de andere, twee voet kortere,
aan den rechter 19 voet gebonden. Zij zijn drie duim 20 breed,
met teer 21 en pek 22 bestreken 23 en de onderste 24 kant 25
is in het midden 26 als 27 een goot 28 uitgehold 29, om
1. befonber. 11.2annenhol5,m.2. 23. beftreichen.*
2. 9ïonï>cger,m. 1. 12. Sange, f. 3. 24. unter.
13. borberft.
14. Sheil, m. 2.
15. fpiglg.
16. aufma'rté.
17. fehren.
18. linf.
19. red;f.
20. gott, m. 2.
21. m. 2.
22. pech, 11.
3. @d;neefchlitt?
fchuh, m. 2.
4. hingleiten.
5. @tanb, m. 2.
6. SBalb(a),m. 4.
7. burchfïreifen.
8. SieblingSber?
gnügen, n. 1.
9. 3agb, f. 3.
10. fchttial.
25. ©eite, f. 3.
26. soiitte, f. 3.
27. tt)ie.
28. eiinne, f. 3.
29. aufholen,
{scheidbaar).
30. ©chlittfchuh?
iSufer, m. 1.
31. fe§en.
32. in geraberSinie
20*