Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
303.
187.
Hij zit 1 op zijne boekenkamer 2, en werkt 3 aan een woor-
denboek 4. Waarom werkt hij met zulk eene vlijt 5? Hij doet
het om 6 verscheiden redenen 7. Hij is arm en heeft een
talrijk 8 huisgezin 9, voor hetwelk hij zorgen 10 moet, en hij
kan niet ledig zitten W. Hij schreef gisteren aan zijn broe-
der: Kom bij mij en gij zült zien, dat, in weerwil van mijne
armoede, ik zonder mijne vrouw en mijne kinderen ongelukkig
zoude zijn. In mijn huis heerscht 12 vrede en eendracht 13
en mijne kinderen beminnen mij. Zij zijn eerbiedig 14 jegens
huuTie ouders 15 en vriendelijk 16 jegens hunne evenmen-
schenl7, en ik heb mij niet over hen te beklagen.
1. ftgcn.* 6. aué. 12.
2. Sücher|ïub«,f.3. 7. Urfache, f- 3. 13. (Eintracht, f. 3.
8. jahlrcicf;.
9. gamilic, f. 3.
10. forgcn.
11. müßig fein.*
3. arbeiten.
4. SBörterbuch (ü),
n. 4.
5. gleiß, m. 2.
14. ehrerbietig.
15. gicltern.
16. freunblich.
17. gKitmenfch,m.3.
188.
Komt gij uit de kerk? Ja, ik ben in de kerk geweest, maar
nu kom ik uit den tuin. Leg dit boek op de tafel. Er 1
liggen 2 drie boeken op de tafel. Leg ze onder de bank.
Zet deze flesschen in den kelder, opdat 3 de wijn koel 4 blij-
ve 5. Er liggen zeven vaten in den kelder, en tusschen deze
vaten liggen planken 6. In de schuit 7 tredende 8, zag ik mij-
nen vriend in eenen hoek 9 zitten. Ik ging 10 naast 11 hem
zitten , en ik zeide hem: Gedurende 12 den tijd, dien gij
in deze stad doorgebracht 13 hebt, zijt gij niet bij mij geweest;
waarom komt gij niet bij mij? Hij antwoordde mij : Ik voel 14,
dat gij reden liebtYh, om u over mij te beklagen, maar ver-
geef 16 mij mijne onbeleefdheid 17.
1. eé.
2. liegen.*
3. bamit.
4. fühl.
5. bleiben.*
6. Srett, n. 4.
7. ©chiff, 11. 2.
8. treten.*
9. (Ecfe, f. 3.
10. fich fegen.
11. neben.
12. mahrenb.
13. jubringen.
14. fühlen.
15. Urfache h«ten.*
16. »ergeben.
17. Unhöfltchfeit,
3.