Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
292.
4. Voorzetsels die en den derden en den vierden
naamval regeeren.
Deze negen voorzetsels kunnen niet alleen in een' eigenlijken,
maar ook in een' oneigenlijken (figuurlijken) zin gebruikt worden.
In een' eigenlijken zin duiden zij op de vraag tüO? waar?
eene rust, een blijven of vertoeven op eene plaats aan, of
eene beweging die binnen bepaalde grenzen blijft besloten
en regeeren dan den derden naamval; op de vraag iuo[)iu?
waarheen? beweging van eene plaats naar eene andere en
hebben alsdan den vierden naamval.
Voorbeelden.
met den derden naamval, op
de vraag IDO? waar?
£)aé liegt an ber SKancr,
dat ligt aan den muur.
Saé liegt auf bem S:ifd;e,
dat ligt op de tafel.
©aé liegt ginter bem (Studie,
dat ligt achter den stoel.
Saé liegt neben Sir, dat
ligt naast u.
Saé liegt in bem Sc^ranfe,
dat ligt in de kast.
Saé liegt über bcm (Spiegel,
dal ligt over den spiegel.
Saé liegt unter bcm Xtfc^e,
dat ligt onder de tafel.'
Saé liegt t»ot bcr S:^««/
dat ligt voor de deur.
Saé liegt jmlfchen Sir unb
mir, dat ligt tusschen u
en mij.
met den vierden naamval, op
de vraag wohiu? waar?
3ch lege baé an bie 5)tauer,
ik leg dat aan den muur.
3ch lege baé auf bcn Sifch,
ik leg dat op de tafel.
3ch lege baé ginter ben (Stu^I,
ik leg dat achter den stoel.
3ch lege baé neben Sich, ik
leg dat naast u.
3ch lege baé in ben (gd^ranf,
ik leg dat in de kast.
3ch lege baé über ben ©plegel,
ik leg dat over den spiegel.
3d; lege baé unter bcnïifch,
ik leg dat onder de tafel.
lege baé üor bie S^üre,
ik leg dat voor de deur.
ich lege baé jroifc^en Sic^
unb mich, ik leg dat tus-
schen u en mij.
In een' oneigenlijken zin, dat is, wanneer men noch WO?
noch wohin? kan vragen, regeeren auf en über den vierden,
en an, in, unter, öor en jwifchen den derden naamval; b. v.
©laubcn ©ie mir auf mein ^ort, geloof mij op mijn woord.