Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
300.
185.
Daar is eene koets 1; gal er in zitten 2. Waar zult gij
naar toe rijden ? Waarheen gelooft gij ? Ik weet het niet.
Van waar komt gij en waar gaat gij naar toe? Zijt gij te
Parijs geweest ? Ik reis 3 er morgen naar toe. Ziet gij dit
huis? waarom treedt 4 gij er niet in, dewijl 5 men u roept 6?
Wie komt de trap 7 op ? Het is mijn broeder, die naar boven
komt, om u te zien. Willen wij niet naar beneden gaan?
De woning 8 van den wijsgeer 9 Diogenes was een vat; wan-
neer het regende, kroop 10 hij er in. Wij zien gaarne 11
dat gij naar uwe buitenplaats 12 gaat. Wel, rijd 13 ik er
niet alle dagen naar toe? Gij rijdt zelden 14 naar buiten.
Ik ben moede 15. Ziedaar een bed 16, 17 er in liggenll.
Hier is ook een leuningstoel 18; ga er op zitteji. Wilt gij
drinken 19? Daar is eene flesch, giet 20 er water in, 21
ze om 21 en giet er wijn in. Ga in den kelder, om
wijn te halen 22, en als gij naar boven komt, breng 12) dan
nog eene flesch mede 23. Ik ga er niet in.
1. Jïutfchc, f. 3.
2. fic^ fefeén.
3. reifen.
4. treten.*
5. weil.
6. rufen.*
7. treppe, f. 3.
8. iJSohnung, f. 3.
9. philofoph' m. 3.
10. friechen*
11. gern.
12. £anbhaué,n. 4.
ganbgut, n. 4.
13. fahren.*
14. feiten.
15. mübe.
16. SSett, n. 3.
17. ftch legen.
18. Sehnlïuhl (ü),
m. 2.
19. trlnfcn.*
20..gießen.
21. auéfpülen.
22. holen.
23. mitbringen.*
OPSTEL TER VERBETERING.
45.
ïÖSie gelehrt biefe J^erren aud>
fein mögen, fo n)i(fen fte boch
aSieleé noch nld;t. — ?S3le liebené?
mürbig, itie einnehmenb biefe
Srauenjimmer auch ftnb, fo ha?
ben fte boch auch 'hre gehler. —
Sie 5)erge, wie hoch fïe auch
jum 3:h«il finb, machen bei bcr
Hoe geleerd deze heeren ook
zijn mogen, zoo weten zij toch
vele dingen nog niet.—Hoe be-
minnenswaardig, hoeinnemend
deze vrouwen ook zijn, zoo
hebben zij toch ook hare ge-
breken. — De bergen, hoe hoog
zij ten deele ook zijn, maken