Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
284.
Overlreffende trap.
am (balbigft), het spoedigst,
am Ilcbficn, het liefst,
am 6c(tcn, het best.
Deze laatste uitdrukkingen worden gebruikt bij vergelijkingen:
€r war am h^c^fï«" erfreut. Hij was het hoogste of het
meest verblijd.
De overtreffende trap van uitnemendheid wordt uitgedrukt
zonder voorvoegsel of met het voorzetsel auf en het onzijdig
lidwoord samengetrokken in aufé.
(Er i(ï of aufé Hij is ten hoogste verheugd,
erfreut.
2. 2luf en offen, open, moeten wel van elkander onder-
scheiden worden. Het eerste wordt bij samengestelde werk-
woorden gebruikt en het tweede meer als bijvoegelijk naamwoord
om aan te duiden, dat iets reeds geopend of opengemaakt is.
^Wachen ©ie bic ï^ür auf. Maakt de deur open.
S)ie ï^ür ift of ffc^t offen. De deur is of staat open.
3. vffiann en wenn beteekenen beide wanneer; het eerste
wordt slechts bij vragen of uitroepingen gebruikt; in alle
andere gevallen gebruikt men wenn.
SBann wirb er fommen? Wanneer zal hij komen.
€r wirb cé bereuen/ wenn eé Hij zal er berouw over hebben,
JU fpat ifï. wanneer het te laat is.
4. 2)ann en benn, dan. Het eerste heeft meer de beteekenis
van alsdan (daarna); het laatste dient slechts tot versterking
vooral bij vragen en uitroepingen in den zin van toch.
(Erfl arbeiten, bann fpielen. Eerst werken, dan spelen.
ï5o bleibt er benn? Waar blijft hij dan?
5. Men wachte zich een bijwoord verkeerdelijk als een
bijvoegelijk naamwoord te bezigen en te verbuigen. Men
zegge dus niet: eine augcrorbentlichc fc^one ©egenb, eene
buitengewone schoone landstreek, maar eine au§erorbentllch
fchï?ne (Begenb, eene buitengewoon schoone landstreek.
Even zoo verkeerd is het, om de telwoorden, piet, veel,
wenig, weinig, raef)r, meer, enz., als bijvoegelijke naamwoor-
den te gebruiken, wanneer zij slechts als bijwoorden voor-
komen. Immers er is een groot onderscheid tusschen: