Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
282.
am mei(t«n, het meest,
höchflcnö, op zijn hoogst,
roenigcr, minder,
am tüenlgfïen, op zijn minst,
rocbct mc^c noch rocntger, noch
meer noch minder.
bc(lo Heber, des te liever,
bcrgeflalt, zoodanig,
langffené, op het langst,
bei roettem, op verre na.
ungleich, ongelijk.
cbenmSfig, evenredig.
6. Bijwoorden van
erfiené, er(ïlich, eerstelijk, ten
eerste,
jroeitcné, ten tweede,
britfené, ten derde,
nach elnanbcr, na elkander,
achter elkander.
mU cinanbet, met elkander,
burch einanber, door elkander,
in Unorbnung, in wanorde,
mieberum, op nieuw,
theilé, deels, ten deele, ge-
deeltelijk,
raehrentheilé, meerendeels.
gro§enfheilé, grootendeels.
mclfïené, meest, meestal,
alleé jufammen, alles te zamen.
©chrift ftor ©chrUt, voetje
voor voetje,
anfangé, in den beginne,
hernach/ naderhand.
7. Bijwoorde
J»ie bielmal, hoeveel maal?
auf einmal, op eenmaal,
jroeimal, tweemaal.
rcte? hoe? hoedanig?
alfo, dus.
um fo mehr/ zoo veel te
meer.
ïaum, nauwelijks,
gleichfalls, ebenfaHó/ insgelijks,
nur, slechts, maar.
augcrorbenfltch, uitermate, bui-
tengewoon.
n)entg(tené, ten minste.
fa|t, beinahe, bijkans, bijna.
orde en schikking,
abermals, op nieuw,
fonff, anders.
übrigens, voor het overige,
üorher, te voren, vooraf,
brunter unb brüber, het onder-
ste' boven,
unter einanber, onder elkander,
einzeln, een voor een.
allein, alleen,
fammtllch, gezamenlijk,
überhaupt, in het algemeen.
Pielfach/ veelvoudig,
mehrfach, meervoudig,
manchmal, menigmaal,
oft, dikwijls, vaak, dikwerf,
halb unb halb, half en half.
einigermaßen, eenigermate.
auf einmal, eensklaps,
mehrmals, meermalen.
n van getal.
jroeimal auf einanber, twee-
maal na elkander,
fo oftmals, oft, zoo dikwijls,
einmal, eenmaal.