Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
275.
Die jfameelc finb mi( Batten
bclabcn, mit (3) Sucher bc?
bccEt; auf (3) ftc ft|cn bie
59Iauren mit (3) bunteSurbane
unb ?OianteI, mit Dolch unb
©äbel, ihren untrennüchen ©e?
fahrten. Den Jfameelenjur Seite
gehen bte Sciaoen, im fchrear?
jen Slngcficht batj bleiche SJuge.
Voran reit ein braune, hagere
Siraber, ber roher, gebietenber
.C)crr beö JugeS. Sltte^, ein
bunt ©eirtmmel, ifi in (4) eine
aSoIfc t)on Staub gehüttt. Die
Sonne fteigt empor; bie jfara?
pane fchrt fich ihr entgegen,
begrüßt ber.C>err ber Schöpfung.
40.
Unb hoher hebt fich bie Sonne,
feine ©luth flrahlt herab unb
rcieber pon bcr grbe auf. Die
munbe Sohlen fchmerjen, bie
©lieber ermatten; brennenbe
Durfï (m.) peinigt ^eber. j?ein
Strom jicht bic Silberroctte
burch ein frifch ©rün (n.), roeit?
hitt ifl fein @e(lräu(^ juerfpä?
hen. 2luf (3) heißen, fchatten?
lofen Bobcn fchreit bie Äarapane.
.Äame im Sturm eine fchraarjc
vSolfe, brächten Bliöe fie jufam?
men, té roürbe Sïettung bie
Schmachtenbe bringen; baö ©e?
brütt beé Söroen roare ihnen
erroünfcht, roürbe té boch erfchnt
Sanb pcrheißcn. Da liegt mitten
in (3) ber 2ßü(le ein üuett, ein
lebenbig Begrabene, ber feine
kameeleii zijn met balen bela-
den, met doeken bedekt; op
hen zitten de Mooren met bonte
tulbanden en mantels, met
dolk en sabel, hunne onscheid-
bare makkers. Naast de kamee-
len gaan de slaven, met het
bleeke oog in het zwarte aan-
gezicht. Vooraan rijdt een bruine
magere Arabier, de ruwe, ge-
biedende meester van den
tocht. Alles, een bont gewemel,
is in eene wolk van stof gehuld.
De zon stijgt omhoog; de ka-
ravaan keert zich naar haar
toe, begroet den Heer der
Schepping.
En hooger verheft zich de
zon, haar gloed straalt naar
beneden en weder van de aarde
naar boven. De gewonde voet-
zolen smarten, de leden zijn
vermoeid, brandende dorst
kwelt iedereen. Geen stroom
vliet met zijn zilverwater door
een frisch groen. Wijd en zijd is
geen struik te ontdekken. Op
heeten, schaduwloozen grond
treedt de karavaan. Kwam er in
den storm eene zwarte wolk,
brachten bliksems ze te zamen,
het zoude den smachtenden
redding aanbrengen; hetgebrul
van den leeuw ware hun wen-
schelijk, daar het toch vurig
verlangd land zoude beloven.
Daar ligt midden in de woes-
18*