Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
272.
mij de waarheid zegt, en mij dat leert, wal ik noodig lieh te
weten \7) wie mij echter vleit, dien noem (f)et§c) ik mijn vijand.
14. hungern, frie; 15. barmherjig. 17. n»aé (ch ju rolf?
ren. 16. mttlcibig. fen nöthtg habe.
179.
Laat mij oprechtelijk 1 zeggen, wat ik over 2 uw toestand 3
denk? — Laat mij vooral 4 zoodra mogelijkzeggen, wanneer
ik u mijne schuld zal letalen 6! — De tijd valt 7 mij nooit te
lang 8, wanneer 9 ik in 10 goed gezelschap ben; slechts doet het
mij leed, wanneer ik wegens een lloot vermaak W mijn plicht
moet verwaarloozen 12. — Ik noem u zeiven mijn vriend, maar
ik kan u niet al diegenen opnoemen, die mij als vrienden bejege-
nen zonder het te zijn. Stel geen vertrouwen in\2> den huiche-
laar 14, die u vleit en u de waarheid niet laat zien. Ik wensch
dat allen, die door 15 mij gelooven leleedigd te zijn\Q, aan
mij, maar niet mij vergeven; want het laatste 17 zoude mij het
leven kosten, zonder dat zij daardoor geholpen wierden.
1. aufrichtig.
2. über, (4).
3. Sujïanb (ä), m.
2.
4. ja.
5. fo balb alé mög;
lid).
6. roann ich meine
©chulbbejahlen
fott.
7. bauern.
8. JU lange.
9. roenn.
10. in, (3).
11. eineéblogenVer;
gnügené roegen.
180.
12. bernachläffigen.
13. trauen.
14. .^euchler, m. 1.
15. ton, (3).
16. beleibigt ju fein
glauben.
17. baé Settere.
Wenscht gij liever, dat ik aan u, of door u honderd gulden
laat uitletalen 1 ? — Nadat 2 mij mijn vader goed Duitsch
spreken en schrijven geleerd had, liet hij mij ook andere talen
en wetenschappen leeren. — Laat mij niet te lang op ant-
woord wachten 3, maar mij liever door een' ander' zeggen,
wat ik doen moet 4! — Ik zal u zoodra mogelijk laten weten 5,
wat er gedaan moet worden 6. — Hij liet mij lang raden,
welke onverwachte 7 vreugde hij genoten had, en deed 8 mij
1. auéjahlen lajfen. 3. roarten. 5. roiffen laffen.
2. nachbem. 4. fotten. 6. roaé ju thun i|ï.