Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
271.
Al zijt gij nog zoo zeJcer van uwe zaah 6, zoo schaam 7 u
daarom niet (over) de terechtwijzing 8 van een' ouder' en erva-
rener' 9 man ! — Onthoud 10 u van alle ongegronde 11 verden-
king 12 jegens 13 iemand, houd ieder' mensch voor 14 goed,
zoolang hij u niet van het tegendeel 15 overtuigd 16 heeft!
Houd echter 17 ook niet iedereen terstondl8 voor uwen waren
vriend, die u van zijne vriendschap verzekert, en maak hem
nog minder 19 tot uwen vertrouweling 20, wanneer gij hem
wellicht nauwelijks met uwe achting kunt verwaardigen 21.
Derf 22 liever het vermaak vele vrienden te hebben en ver-
blijd u in de weinige beproefde 23 en getrouwe, die u van het
gevaar ontheffen 24, uwe rust 25 en tevredenheid te verliezen 26.
4. Äennfniffc, f. 10. jtd) enthalten.* 19. nod; weniger.
2. pl. 11. ungegrünbet. 20. ber 5öertraufe.
5. ftch rühmen, (2). 12. «Serbacht, m. 2. 21. würbigen.
13. gegen, (4). 22. entbehren.
14. für, (4). 23. geprüft.
15. @cgcntheil,n.2. 24. überheben.*
16. überzeugen. 25. 9iuhe, f. 3.
17. aber. 26. terlieren.*
13. fogicich.
178.
Dien andere menscheu en wees hun van nut 1, zoo zullen
zij u weder dienen! — Gun 2 ieder gaarne 3 wat God hem
geeft; want Hij deelt uit^, zoo als 5 het Hem behaagt 6. —
Geef elk het zijne maar laat ook elk het zijne! — Veroorloof 7
u geen vermaak, dat anderen ongenoegen 8 veroorzaakt! —
Wie voor een' ander' een kuil 9 graaft 10, valt er zelf
in 11. — Goede onderdanen eeren hunnen vorst. — Slechte
menschen lasteren 12 hunne overheid. — Helt 13 gij geen
medelijden 13 met den arme die thans honger en houde
lijdtl^s'^ — Menig mensch leert eerst in nood, barmhartig 15
en medelijdend 16 te zijn. — Dien noem ik mijn vriend, die
6. wenn ©u Seiner
Sache auch «och
fo genjig bijt.
7. ftch fchämen.
8. Belehrung, f. 3.
9. erfahren.
1. nügllch.
2. gönnen.
3. gern.
4. auéthellen.
5. wie.
6. belieben.
7. erlauben.
8. g)?i§üergnügen,
n. 1.
9. ©ritbe, f. 3.
10. graben.*
11. hinetnfatten.*
12. läftern.
13. baucrn (mich
bauert 3emanb).