Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
270.
ïï5cnn bu bid; beffen ju bcbienen
fortfahrfï.
€in 5)Iann, bcr nic^t fo glücf?
üd) JU fcin fc^)tcn.
Indien gij voortgaat u daarvan
te bedienen.
Een man, die niet zoo geluk-
kig scheen te zijn.
XXVIII. OPSTELLEN OVEU DE REGEEUING DER M'ERKWOORDEN.
176.
Wie ziek gelijk een gek gedraagt 1 die moet zich ook
laten welgevallen 2, als een zoodanige 3 te worden behan-
deld. — Jonge lieden, die zich met 4 gezonde oogen van (de)
brillen 5 bedienen, beschuldigt 6 men te recht 7 van de be-
lachelijke 8 ijdelheidO, als 10 geleerden te willen verschijnen 11,
zonder 12 het te zijn. Onthoud 13 u {tweede pers. enkelv.)
van zulk eene dwaasheid 14 en troost 15 u met de overtui-
ging 16 dat het eervoller 17 is, met gezonde oogen geleerd
te zijn , dan met stompe 18 oogen geleerd te schijnen! —
Verhoovaardig 19 u nimmer 20 op uwe kundigheden 21, op-
dat 22 anderen u niet bespotten 231 — Kondig 24 u niet aan
als een' kenner van dingen, die gij slechts 25 ten halve 26
of in het geheel niet 21 verstaat 28; men mocht 29 u anders,
tot uwe schande ZO, van onwetendheid 31 overtuigen 32 !
1. ftd^ n)iecin9ïart 12. ohne. 23. ücrfpottcn-
betragen.* 13. ftch enthalten. 24. ftchanfünbigen.
14. Shorheit, f. 3.
15. ftch getröfïcn.
16. Ueberjeugung,
f. 3.
17. «hrenbott.
18. fïumpf.
19. ftch überheben.
20. nie.
21. jïenntniffe, f.
2 pl.
22. bamit.
177.
De bescheiden 1 mensch verblijdt 2 zich wel is waar 3 over
zijne kundigheden 4, maar hij beroemt 5 er zich niet op. —
1. befcheibcn. 2. fïch freuen. 3. jroar.
2. fich !gefatten laf?
fen.*
3. ein folcher.
4. bei, (3).
5. brille, f. 3.
6. bcfchulbigen.
7. mit Üvccht.
8. lächerlich.
9. (gitclfeit, f. 3.
10. alé.
11. erfcheinen.*
25. uur.
26. halb.
27. gar nicht.
28. tjcrftehen.*
29. mögen.*
30. JU Seiner (Ent?
chrung.
31. Unwiffenheit,
f. 3.
32. überführen.