Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
269.
(iets geschiede), of dat ik (iets doe). In het eerste geval
regeert Irtffcn den derden, doch in het tweede den vierden
naamval, b. v. er lieg mir fagcn, hij liet (aan) mij zeggen,
dat is, hij liet toe, of maakte, dat mij gezegd werd.
Maar er lieg micf) fagcn, hij liet mij zeggen, dat is hij liet
toe, of maakte, dat ik zelf iets zeide.
Zoo ook: er lieg mir baä @elb ausjahlen, hij maakte dat
het geld aan mij uitbetaald werd; en er lieg mich baé ©elb
auéjal)lcn, hij maakte dat ik het geld uitbetaalde.
De reden van dezen naamval is duidelijk, dewijl dezelve
door fagcn en auéja^lcn geregeerd wordt.
Voorbeelden tot oefening.
Sag mir bie Jeitung üorlefen! Sag mich bie Jeitnng üorlefen!
Sag mir bie U^r faufen! Sag mich bie Ul^r fanfen!
3ch Heg il)m bie ©ache er? 3ch lieg bie ©ache er?
jahlen. jä^lcn.
Diensvolgens zegt men ook zeer juist er lieg mich (niet
mir) feinen Unwillen empfïnben, hij liet mij zijn misnoegen
gevoelen, er lagt mich fein« Slbftcht merfen, hij laat mij zijn
oogmerk bespeuren; enz.
OVER DE RANGSCHIKKING DER WERKWOORDEN.
Ofschoon de rangschikking der woorden in het Hoogduitsch
over het algemeen met die der Nederlandsche taal overeenkomt,
wijkt echter het werkwoord in eenige opzichten hiervan af.
a. Wanneer twee werkwoorden in de onbepaalde wijze op
elkander volgen, dan staat in het Hoogduitsch het hoofd-
werkwoord vooraan:
Sr moßte eé fennen lernen. Hij wilde het leeren kennen.
3ch roill ftgen bleiben. Ik wil blijven zitten.
Um ruhig leben ju fönnen. Om gerust te kunnen leven.
b. Bij de verbindende woordschikking, welke met een voeg-
woord of betrekkelijk voornaamwoord begint, komt de onbe-
paalde wijs voor het andere werkwoord.
2llé Siogeneé ein tinb aué Toen Diogenes een kind uit
ber höhlen hanb trinfcn fah, het holle der hand zag drin-
jerbrach er feinen SRapf. ken, brak hij zijn nap.