Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
vereischt, gelijk dit laatstgenoemde werkwoord, den derden
naamval des persoons, wanneer de vierde naamval der zaak,
die bevolen wordt, er bij staat; b. v. wcr ©ir baé gc?
heißen, wie heeft u dat bevolen? — gr ^at mir bieé ge?
heißen, hij heeft mij dit bevolen. — 2Ber h^f Slr geheißen,
JU fommen? wie heeft u bevolen, te komen? — Laat men
er echter de zaak uit en zet men in plaats van baß ©U, baß
ich, baß er, enz. de onbepaalde wijze voor het regeerende
werkwoord, zoo gebruikt men den vierden naamval des per-
soons b. V. cr h<lt mich fommen heißen, hij heeft mij bevolen
te komen, ich hieß ih" gehen, ftgen, (tehen, ik beval hem te
gaan, te zitten, te staan, enz.
2) Sehrcn en fragen vereisclien den persoon in den vierden
naamval, doch wanneer er eene zaak bijkomt in den vierden
naamval, dan staat de persoon in den derden; b. v. gr lehrte
mich, "ä^ar er lehrte mir cin Äunftftüd. Meestal worden deze
twee werkwoorden echter met twee vierde naamvallen gebruikt,
gr lehrt mich bie Sprache, ©aó frage id) bich-
Jvo(ïen wordt met den persoon in den derden naamval ge-
bruikt: gé fo(tetc ihm feinen erffcn Sohn.
Sprechen, heeft den persoon in den vierden naamval, b. v.
ich habe fte gefprochcn.
ïïïadjahmen regeert den derden naamval des persoons en
den vierden der zaak, b. v. (te ahmt bcr ïOiUtter nad), er
ahmt feine Sprache nad^. De persoon staat ook in den vier-
den naamval, wanneer men door den persoon de zaak wil te
kennen geven, b. v. er ahmt bcn Schaufpleler nach/ (feine
£iicbcn unb ©eberbeit).
3) gajfen, laten, als (overgankelijk werkwoord in de betee-
kenis van overlaten) regeert, gelijk elk zoodanig werkwoord,
den derden naamval des persoons en den vierden naamval der
zaak: ich laffe ©ir bcn ^ut' laß mir baé ïuch, ik laat
u den hoed; laat mij het laken. Doch als niet-overgankelijk
werkwoord in de beteekenis van bezorgen, maJcen, vergun-
nen, veroorloven, of toelaten, (dat iets geschiede) vereischt
het nu den derden, dan den vierden naamval des persoons bij
een werkwoord in de onbepaalde wijze, al naar dat men het
voorstel kan oplossen met, laat toe of gedoog, dat mij