Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
267.
cé ïneift mtch, het knijpt mij.
eê brennt mich, het brandt mij.
cé ucrbrtcgf mich, lie*^ verdriet mij.
cé »erlangt mtd;, (nach), verlang.
Cé roanbelt mich (an), er overkomt mij.
Cé rounbert mich, het verwondert mij.
Aanmerhing. De vierde naamval staat dus altijd bij deze
werkwoorden, al is het ook dat er nog een bijvoegsel door
middel van een voorzetsel volgt; b. v. eé fchmerjt mid) in
ber cé friert mid) am ganjen Êeibe. Wordt echter
het lijdende deel des lichaams zonder voorzetsel genoemd,
zoo verandert men den vierden naamval in den derden; b. v.
mir frieren bic .^änbe, enz.
4) De niet-overgankelijke (onzijdige) werkwoorden nemen
slechts dan den vierden naamval bij zich, wanneer zij een
voorwerp bij zich hebben, dat reeds in het werkwoord ligt
opgesloten, b. v. er roeintc bittre ïhra'ncn, hij weende bittere
tranen; er geht einen (ïarfen ©chritt, hij gaat met sterke
schreden; n)ir gehen biefen ?ÏBeg, wij gaan dezen weg.
5) Alles wat maat, gewicht of tijd bepaalt staat insgelijks in
den vierden naamval. B. v. cr arbeitet, lieft unb fdjreibt
ben ganjen ïag, hij werkt, leest en schrijft den geheelen dag.
2)aé 55uch foflet einen ©ulbcn, het boek kost een' gulden.
£)aé Jïinb ift jroei 3ahr unb einen 5Wonat alt, het kind is
twee jaar en eene maand oud. (Sr fam ben 7ten gïïarj, hij
kwam den 7'"" Maart.
6) De volgende vijf werkwoorden regeeren een dubbelen
vierden naamval.
nennen, noemen,
heigen, heeten, noemen,
fcheltcn, schelden,
fchimpfen, schimpen, schelden,
taufen, doopen.
b. v. er hieg, fd;alt ober fchimpfte ©ich «inen 3?arren, unb
boch nannte(l ©u ihn ©einen greunb, hij noemde u, schold
u uit voor een' gek, en evenwel noemdet gij hem uwen
vriend.
Aanmerhing. 1) .^cigcn, in de beteekenis van befehlen.