Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
265.
De vierde naamval duidt altijd het voorwerp aan (hetzij
een persoon of eene zaak), waarop de werking van het werk-
woord onmiddelijk overgaat.
Dezen naamval vereischen:
1) Alle overganhelijJce of bedrijvende werkwoorden, ge-
lijk: bitten, bidden; banen, bouwen; lieben, beminnen; enz.
die in den lijdenden vorm den eersten naamval hebben, dat is,
bij welke men iu den lijdendeji vorm zeggen kan: icf) roerbe
of itJurbe, bu ivirft of rourbefï gebeten, geliebt, enz.
Zoo ook : e^ren , eeren; erjie^en, opvoeden ; leuren, onder-
wijzen (derhalve ic^ le^rc Sic^, @ie, enz.); wanneer echter,
nog eene zaak in den vierden naamval er bij staat, zoo plaatst
men den persoon in den derden naamval: tcfe lehrte ©ir of
3l)nen bie beutfdje ©pracfce, enz., überreben, overreden; ücr?
folgen, vervolgen; oergeben, vergiftigen; tocrftcljern, verzekeren
(in den zin van assureeren) ■, trauen, vertrouwen; en vele andere.
Aanmerking. Vele dezer bedrijvende werkwoorden hebben,
behalve het voorwerp in den vierden naamval, noch eene bepaling
noodig, die in den tweeden naamval staat, of door een voorzetsel
en den naamval die van hetzelve afhangt, uitgedrukt wordt, b. v.
er iDÜrblgte mid; feiner greunbfchaft, of met bepaling der plaats:
er trat mich «nf ben gug, hij trapte mij op den voet; bie
■ÏBeépe (ïachmtdjinbenglnSCf- Ook kan men in den lijdenden
vorm zeggen: ich »urbe t)on ihm auf ben gug getreten, enz.
Daarentegen zegt men zeer wel:
(gr trat mir bcn rounb. öie ïffies^pe (tach mir ben
ginger ganj bid. Want hier zijn gu§, ginger het eigenlijke
voorwerp in den vierden naamval en de persoon moet dus
in den derden naamval staan. — Ook kan men in den lijden-
den vorm niet zeggen: ich Würbe, maar mir 1» u r b e ber gu§
rounb getreten, enz.
2) De meeste wederkeerende werkwoorden, hetzij ze zulks
uit hun aard zijn of slechts als zoodanig gebruikt worden
(gelijk b. v. fid) lieben, zich beminnen, ftd; mübe (tehen,
zich moede staan, enz.), liebben den persoon als voorwerp
in den vierden naamval bij zich; b. v. ich freue mich, ik
verblijd mij, bu betrübfl bid), gij bedroeft u, enz. Dikwerf
wordt ook bij deze werkwoorden nog een woord gevoegd.