Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
263.
mangeln, ontbreken. fc^elnen, schijnen,
mißfallen, mishagen. fein, zijn.
mißlingen, mislukken. roerben, worden, enz.
Aanmerhing. "Wanneer men voor een onzijdig werkwoord
het voorvoegsel 6e voegt, waardoor zoodanig een werkwoord
bedrijvend wordt, dan regeert het den vierden naamval; b. v.
ich folge 3hrem 2ta(he, maar ich befolge ^h«"«« Siaf^/
ik volg uwen raad; er bient mir, maar er bebient mich,
hij bedient mij.
3) Ook de volgende wederkeerende werkwoorden vereischen
den derden naamval des persoons:
ftch (ei"« ©ache) anmaßen, zich (eene zaak) aanmatigen.
ftch auébcbingen, zich voorbehouden.
fich einbilbcn, zich verbeelden.
fïch getrauen, durven, de stoutheid hebben.
fich vornehmen, zich voornemen.
ftch eor(ïcllcn, zich voorstellen.
fich fd;meid)eln, zich vleien.
©ich nahern, naderen, heeft den persoon of de zaak, welke
men nadert, in den derden naamval, b. v. ich näherte mich
ber ©tabt, ik naderde de stad.
4) Onpersoonlijke werkwoorden, die geene overgankelijke
beteekenis hebben, vereischen insgelijks den derden naamval
des persoons:
eé ahnet mir, ik heb een voorgevoel; ik gis.
té begegnet mir, er bejegent, overkomt mij.
eé beliebt mir, het belieft mij.
Cé behagt mie, het behaagt mij.
Cé befommt mir, het bekomt mij.
Cé bauert mir, het duurt mij.
eé baucht mir, mij dunkt.
Cé efclt mir, het walgt mij.
eé entfallt mir, het ontvalt, ontschiet mij.
eé fällt mir, (ein, leicht), het valt mij (in, gemakkelijk).
eé fehlt mir, er ontbreekt mij.
eé gebricht mir. (an), het ontbreekt mij (aan).
eé gefällt mir, het bevalt mij.
eé geht mir, het gaat mij.