Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
261.
middel van een voorzetsel an, auf, für, über, enz. b. v.
(ich an einen erinnern, zieh aan iemand herinneren, fich «»f
ober über eine (Sache freuen, zieh op of over eene zaak ver-
heugen, enz. — ©ich anmagen wordt gewoonlijk met den
derden naamval des persoons en den vierden naamval der
zaak verbonden, dus: ich wagc mir baé (niet zoo goed mich
beffen) nicht «n.
3) Ook gebruikt men nog den tweeden naamval bij uitroe-
pingen, b. V. 21ch, beé Unglücfé, ach, welk ongeluk; bij tijds-
bepalingen, b. V. beé 3)ïorgcné, beé SOïontagé, en in eenige
bijzondere uitdrukkingen, b. v. ich tin ber ?S)ieinung, ik ben
van gevoelen; nidncé >Si{fené, met mijn weten; unocrrichtetcr
Sache, onverrichter zaak; frohen SKutheé, wel te moede;
.^ungeré (ïerben, (of tor Jp)unger) van honger sterven, enz.
c) Werkwoorden met den derden naamval op de vraag
wien? aan wien?
De derde naamval duidt bij een werkwoord het doel der
handeling aan.
1) Eij alle bedrijvende werkwoorden staat het zelfstandig
naamwoord, dat een voorwerp aanduidt, waaraan men iets
toeschikt of ontneemt, in den derden naamval, b. v. ich
bir baé Such, ik geef u het boek.
2) Bij de meeste niet-overgankelijke (onzijdige) werkwoorden
staat het persoonlijk voorwerp insgelijks in den derden naam-
val; b. V. banfen, ich banfe Sir, 3h"en, enz.
Zoo ook bij :
banfen, danken. nügcn, van nut zijn.
bleuen, dienen. fchabcn, nadeel doen, bescha-
brohen, dreigen. digen.
fluchen, vloeken. fchmcichein, vleien,
folgen, volgen. (leucrn, tegenhouden,
gehorchen, gehoorzamen. tranen, (Jutrauen haten) ver-
helfen , helpen. trouwen,
hulbigen, huldigen. trogen, trotseeren, tarten,
ladjeln, glimlachen. öerfichern, verzekeren,
leuchten, schijnen, lichten. »ergeben, vergeven (vergiffenis
lohnen, loonen, vergelden. schenken),
nahen, naderen. ivahrfagen, waarzeggen.