Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
259.
fpoffen, spotten; b. v. fpotte nlc^t beé -Oülfébcbürftigen,
ober über ben J^ülfébebürftigen.
öergeflfen, vergeten; b. V. eergig beiner ober beine Sffiucbe
nicht, O «Dïenfch!
warten, wachten, waarnemen; b. v. feineé Slmtcé warten,
iJJIleé wartet beiner.
2) bij de werkwoorden, die het persoonlijke voorwerp of
den persoon in den vierden naamval vereischen, staat de
zaak (wanneer ze wordt uitgedrukt) altijd in den tweeden
naamval. Men vraagt dan bij den persoon [wen of waé?
wien of wat? en bij de zaak wcflfcn? wiens? van wien of
van wat? b. v. berauben, berooven; bie Sfanjofcn beraubten
(wen?) meinen Vater (weffen?) feineé ©elbeé unb feiner j?leiber,
de Pranschen beroofden (wien?) mijnen vader van (wat) zijn
geld en zijne kleederen.
Tot deze werkwoorden behooren:
auflagen, aanklagen,
belehren, onderrichten,
berauben, berooven,
bcfchulbigen, beschuldigen,
besichtigen, betichten,
entlabcn, ontladen,
cntla|ïen, ontlasten,
«ntlaffen, bevrijden,
entlcbigen, ontslaan,
entfe^en, ontzetten, afzetten,
cntübrigen, ontslaan, vrijstellen,
entwöhnen, ontwennen,
überführen, overtuigen,
überheben, ontheffen,
überjeugen, overtuigen, (gewoonlijk met eon)
eerweifen, verbannen,
würbigen, verwaardigen,
alsmede öerftchern, verzekeren; b. v. idS) »crftchere ©ie mei?
ner niet meine -Hochachtung, ik verzeker u van mijne ach-
ting. Een dubbele vierde naamval is hier verkeerd; want de
persoon staat in den vierden en de zaak in den tweeden
naamval. "Wil men dat, de zaak in den vierden naamval
17*