Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
258.
hebben twee eerste naamvallen bij zich, de eene als onder-
werp, de andere als gezegde-, b. v. fein Br über ijl mein
greunbj zijn broeder is mijn vriend; er rcirb c(n großer
SOIann roerben, hij zal een groot man worden; fe(n jüng?
(Ier Bruber h^ißf §r ie brich, jongste broeder heet
Frederik-, enz.
Aanmerking. Om te zien in welken naamval het zelfstan-
dig naamwoord staat, dat op of lüie volgt, heeft men
slechts aan te vullen wat er verzwegen wordt, b. v. gr (ïatb
alé ein j^eib (flirbt); hij stierf als een held (sterft); fie blühte
«ie eine 3vofe (blüht), zij bloeide als eene roos (bloeit); ich
behanbelte ihn alö meinen grennb, (alé ich meinen greunb
behanble); ik behandelde hem als mijnen vriend, (als ik mijn
vriend behandel).
b) Werkwoorden met den tweeden naamval op de vraag
wiens? van wien?
1) De tweede naamval, in stede waarvan men in den
gewonen prozastijl gewoonlijk bij de meeste den vierden,
hetzij met of zonder voorzetsel gebruikt, wordt, in den def-
tigen stijl althans, met de volgende werkwoorden verbonden:
achten, achten, b. v. ich «chte bc|fcn (baé).
bebürfen, noodig hebben; b. v. ich bebarf ber .^ülfe ober
bie .^ülfe.
brandjen, gebruiken; b. v. cr braucht beé ©clbeé ober baé
©elb.
benfen, gedenken, denken; b. v. er benft meiner ober an
mich-
entbehren, ontberen; b. v. ich entbehre beé Siathé ober ben
Siath.
erroahnen, gewagen; b. v. ich ermahnte 3hrer ober (Sic.
gebenfen, gedenken; b. v. gebenfe meiner ober an mich-
genießen, genieten; b. v. genieße beé ©uten ober baé ©ute.
harren, wachten; b. v. harre bejferer feiten ober aufbejferc
geiten.
lachen, lachen; b. v. er lacht bcé S hor en ober über ben
Shoren.
fchoncn, verschoonen; b. v. fchone beé Unglü(flid;en ober
ben Unglüdlichen.