Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
254.
XXYII. OPSTELLEN OVER DE DEELWOORDEN.
171.
Uwe vertalingen 1 naziende 2, vonden 3 wij dat gij vrij 4
slordig 5 vertaald 6 hadt. Wij zullen u dit vergeven 7, hopende 8,
dat gij ons betere bewijzen 9 van uwe verkregen 10 kundig-
heden 11 zult geven, u tevens 12 belovende 13 dat, bijaldien 14
gij niet met meer oplettendheid 15 werkt, wij ons niet meer
met 17 uw onderwijs 18 zullen bemoeien 16. In den tuin
wandelende 19, ontmoette ih mijn vriend 20, en deze ge-
loovende 21 dat ik hem zocht 22 te vermijden 23, trad 24 in 25
een priëeltje 26. Dit gewaar wordende , volgde 28 ik hem,
roepende 29: Waarom vliedt 30 gij mij? Deze vriend, ziende31
dat ik niet op 32 hem vergramd 33 was, omhelsde 34 mij,
verzekerende 35 dat hij mij altijd bemind 36 had. Ik ver-
liet 37 hem, over 38 zijn gedrag 39 w el voldaan 40 zijnde.
1. Uebcrfc^ung» f. 13. »erfpredjen. 26. gaube, f. 3.
3. 14. roenn. 27. get»ahrroerben.*
2. nacbfef)cn.* 15. 2lufmerffamfci(. 28. folgen, (3).
3. finben.* 16. ftd) abgeben,* 29. rufen.*
4. jicinlich. {scheidbaar). 30. fliehen.*
5. nachlüfllg. 17. mit, (3). 31. fehen.*
6. überfelen,* 18. Unterrtchf/ m.2. 32. auf, (4).
{scheidbaar). 19. fpajferen gehen. 33. bijfe.
7. »ergeben,* »er? 20. begegnete mir 34. umarmen.
jei^en. mein greunb. 35. »erftchern, (3).
8. hoffen. 21. glauben. 36. lieben.
9. SeroeiS, m. 2. 22. fud;ert. 37. »erlaffen.*
10. ermerben.* 23. »ermeiben. 38. mit, (3).
11. jfenntnig, f. 2. 24. treten. 39. Betragen, n. 1.
12. jugleich- 25. in, (4). 40. jufrieben.
172.
Mijn broeder, uitgegaan 1 zijnde, ging naar 2 de beurs 3,
en er 4 zijn vriend niet vindende, besloot 5 hij, hem op
Dan 7 deze, op 8 zijne buitenplaats 9 ziek 10
te zoeken 6.
1. ausgehen.*
2. auf/ (4).
3. Börfc, f. 3.
4. bafclbft.
5. ftch cntfchlicgen.*
6. auffuchcti/
{scheidbaar),
7. aber.