Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
251.
een werkzaam 26 leven; hij eet en drinkt om te leven; hij
slaapt om uit te rusten 27 en nieuwe 28 krachten 29 te krij-
gen 30, en hij brengt 32 zijn tijd nuttig 31 door 32.
26. arbciffam. 28. ncu. 31. nüglich.
27. auéruhen, 29. j?raft (a), f. 2. 32. jubringen *
{scheidbaar). 30. bcfommcn.* (scheidbaar).
OVEE DE DEELWOOEDEN.
1. Het deelwoord is een deel der rede, aldus genoemd,
omdat hetzelve de beteekenis van het werkwoord, waarvan
het afkomstig is, behoudt en denzelfden naamval regeert, eu
tevens de eigenschap van het bijvoegelijke naamwoord heeft,
namelijk, dat het verbogen kan worden.
2. Er zijn, gelijk in het Nederlandsch, twee deelwoorden
in de Hoogduitsche taal, het tegenwoordige en het ve^ieden.
Het eerste heeft eene bedrijvende, {overgankelijke) beteekenis
en wordt gevormd uit de onbepaalde wijze en de letter b;
b. V. lobenb, prijzende of die prijst, rei fen b, reizende of die
reist; ber lobenbe 58ater» de prijzende vader. Het tweede
deelwoord heeft, wanneer het van een overgankelijk werk-
woord is afgeleid, eene lijdende beteekenis, en wordt ge-
vormd door middel van de uitgangen et (t) en en, meestal ook met
het behulp van het voorvoegsel ge, b. v. gelobef,o/"gclobf,
geprezen, gelefen, gelezen; ber gelobte@ohn,de geprezen zoon.
3. De deelwoorden volgen in de verbuiging al de regels
der bijvoegelijke naamwoorden; b. v.
1. ein (ïerbenber ?0?ann, een 3. einem fierbenben ïOIanne,
stervend man. eenen stervenden man.
2. eineé (ïerbenben SJIanneé, 4. einen fierbenben SOïann,
eens stervenden mans. eenen stervenden man.
1. eine njerbenbe ©chönheit, 3. einec raerbenben ©chon^ett,
eeneontluikendeschoonheid. eene ontluikendeschoonheid.
2. einer roerbenben ©c^onheit, 4. eine roerbenbe ©c^onheif,
eener ontluikende schoon- eene ontluikende schoon-
heid. heid.
1. ein enffchlafeneé tinb, een 3. einem entfc^lafenen j?inbe,
ontslapen kind. een ontslapen kind.
2. eineé enefchlafencn iïinbeé, 4. ein entfc^lafeneé tinb, een
van een ontslapen kind. ontslapen kind.