Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
248.
brieven aan 9 den geschiedschrijver 10 Tacitus bewaard 11
heeft.
Hij bevond zich toen 12 te Misenum, aan 13 den tegenover-
gestelden 14 kant 15 van den Napelschen 16 zeeboezem 17
met 18 zijne moeder en zijn oom, den beroemden ouderen
Plinius, van welken wij nog een groot natuurkundig 19 werk
bezitten 20. Op den 21 vier en twintigsten Augustus 22 ver-
hief zich22> plotseling 24 een geschreeuw 25, dat26 er eene
geheel ongewone 28 vreeselijke wolk 29 opsteeg 27.
6. alé. 14. entgegenfe^cn, 22. Slugujï.
7. Slugenjeuge, {scheidbaar). 23. fich erheben.
m. 3. 15. @el(e, f. 3. 24. plö^llch.
8. in, (3). 16. JRcapolltanifch. 25. ©efchrei, n. 2.
9. an, (4). 17. ?Oieerbufen,m.l. 26. blijft weg.
10. ©efc^ichtfchrei? 18. mit, (3). 27. auffïcigen, {teg.
ber, m. 1. 19. naturgefchlcht? tijd aanvoeg.
11. aufbewahren. lieh. wijze.)
12. bamalé. 20. beft^cn.* 28. ungewöhnlich.
13. an, (3). 21. am, (an bem). 29. »IBolfe, f. 3.
167.
Vervolg.
Het was de damp die uit 1 den Vesuvius opschoot 2. De
onverschrokken 3 oom 4 wilde eene zoo merkwaardige gebeur-
tenis 5, meer van nabij {vert. in 6 grootere nabijheid 7) aan-
schouwen 8, besteeg 9 een schip en snelde het gevaar 11
te gemoet 10. Nog op 12 de zee bereikte 13 hem nederval-
lende 14 asch en puimsteen 15; de stuurman 16 verzocht 17
hem terug te keeren 18. Te vergeefs 19. „Met 20 de dap-
„peren 21 is het geluk!" riep 22 hij en liet zich naar Stabiae23
1. aué, (3).
2. «mporfchtcgen.*
3. unerfchrocfcn.
4. Dhcim, m. 2.
5. (Srclgnig, n. 2.
6. In, (3).
7. gjähe, f. (3).
8. beobachten.
9. bedeigen.* 17. bitten.*
10. entgegen eilen (3). 18. umfef)ren,
11. ©efahr/ f. 3. [scheidhaar).
12. auf, (3). 19. »ergebend.
13. erreichen. 20. mit, (3).
14. fatten. 21. tapfer.
15. qsimdein, m. 2. 22. rufen.*
16. (Steuermann, m. 23. 6tabia.