Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
239.
noch 30 boom, noch struik 31, noch eenig ander Zl scha-
duw gevend voorwerp 34 te zien 35. Eindelijk 36, toen hij
met zijn lichaam geen raad wist 31, maakte hij halt, steeg
af, en zette zich 38 in 39 de schaduw van den ezel.
33. Schatten ge? 35. fchcn. feincn Svath
bcnb. 36. enblich. roilTen.
34. ©egcnfïanb (a), 31. feincm Scibe 38. fid; fcfeen.
m. 2. ' 39. in, (4).
154.
Vervolg.
Nu Mijnheer 1 ! wat doet gij daar 2 ? vraagde de ezel-
drijver 3, wat moet 4 dat?
Struthion. Ik zet mij een weinig in 5 de schaduw 6, want
de zon brandt 7 mij gansch ondragelijk 8 op 9 den schedel 10.
Nu, mijn goede Heer, hervatte 11 de andere, zoo hebben wij
niet gehandeld ! Ik verhuurde u den ezel, maar van de schaduw
werd geen woord daarbij gerept 12.
Wel 13! zeide de tandmeester lachende 14, de schaduw des
ezels gaat 15 met den ezel, dat is klaar (dat verstaat 16 zich).
Ei, bij Jason\l\ dat is niet klaar! riep 18 de ezelman 19
heel hits 20, iets anders 21 is de ezel, iets anders is diens
schaduw. Gij hebt mij den ezel wör 2^00 we^ 22 afgehuurd 23,
hadt gij de schaduw ook daarbij 24 willen 25 huren, dan 26
hadt gij dat moeten 27 zeggen. In één woord'IS, mijnheer,
sta op 29, en zet 30 uwe reis voort, of betaal mij voor 31
des ezels ^chaduw, wat billijk 32 is.
1. 9ïun ^itv, 12.mitïcinen?öorfe
2. roaé macht ihr benfen.* (2).
13.3.
14. lachen.
15. gehen.*
16. tocrflehen.*
17. ei, beim ^afon!
18. rufen.*
19. gfelmann, (a).
20. ganj trogig.
21. ein anbereé.
22. nm fo unb fo öiel.
ba?
3. ®feltreiber,m.l.
4. fotten.
5. in, (4).
6. Schatten, m. 1.
7. brennen.
8. ganj unieiblich.
9. auf, (4).
10. Schabel, m. 1.
11. erroiebern.
23. abmiethen.
24. baju.
25. roolicn.*
26. fo.
27. müffen.*
28. mitcinemSJorte.
29. aufilehen.*
[scheidbaar).
30. fortfegen.
{scheidbaar).
31. für, (4).
32. bittig.