Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
238.
hij zich met 8 een gedwongen 9 glimlach 10 tot 11 zijne lie-
den keerde 12. —
Hij rechtvaardigt 13 den bijnaam 14 dien hem de Corinthers
geven 15, zeiden de hovelingen, en hij verdiende, dat hij
ooh overeenhomstig zijn naam wierd behandeld .
Bat zult gij laten 11, antwoordde de jongman 18: ik ver-
zeker 19 u, indien ik niet Alexander ware, zoo wenschte 20
ik Diogenes te zijn!
10. gäd;eln, n. 1.
11. gegen, (4).
12. lüenben.*
13. rechtfertigen.
14. Juname, m. 3.
15. geben.*
16. bag ihm auch
En daarmede gingen zij weder heen 21.
nad; feinem 9ïa? 19. Dcrftchcrn.
20. rootten.
21. unb bamit führ?
ten fte ftch mie?
ber ab.
men begegnet
mürbe.
17. baé follt ihr
bleiben laffcn.
18. ber i'unge
50?enfd).
153.
Struthion huurde 1 een ezel; de eigenaar 2 vergezelde 3
hem te voet 4<, om het lastdragende 5 dier op ie passen 6 en
weder naar 7 huis te rijden 8. De weg ging 9 over 10 eene
groote heide 11; het was midden in den zomer 12, en de
hitte 13 dezen dag zeer groot. De tandmeester 14 (Struthion),
voor wien 15 zij ondragelijk 16 begon 1 7 te worden, 18
reikhalzende 19 naar 20 eene bescJtaduwdeplaats 21 uit IS, ■v&sx
hij een oogenblik 22 afstijgen 23 en wat 24 frissche 25 lucht
scheppen 26 konde 27; doch 28 daar was wijd en zijd2Q
1. fich niiethen. 13. .^igc, f. 3. 23. abfïcigcn.*
2. (Eigenfhümct, 14. Sahnarjf (ä), {scheidb.)
3. begleiten, [m.l. m. 2. 24. etroaé.
JU Sug. 15. bcm. 25. frifch.
5. lafïbar. 16. unerträglich. 26. fd;öpfen.
6. beforgen. 17. anfangen.* 27. fönncn.*
7. tiad;, (3). 18. fïch umfehen.* 28. aber.
8. reiten.* {scheidbaar.) 29. rceit unb breit.
9. gehen.* 19. Icchjen. 30. rccber... noch.
10. über, (4). 20. nach, (3). 31. ©taube, f. 3.
11. .C)aibe, f. (3). 21. ©chattcnpla^ 32. trgenb ein an?
12. mittemlm©om? (ä), m. 2. bercr.
mer. 22. 21ugcnblicf,m.2.