Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
236.
ter 45 en luimen 46 men in geheel Griekenland 47 zoo veel
te vertellen 48 heeft.
48. crjahlen.
150.

Vervolg.
Ik beschouwde 1 mijnen man nu ook iets nauwkeuriger 2
dan in het begin. Het was een knap 3 jong mensch, mid-
delmatig 4 van grootte 5 , maar welgemaakt 6 , behalve 7 dat
hem het hoofd 8 een weinig op 9 den linker schouder 10
hing 11; hij had een breed 12 voorhoofd 13, groote fonke-
lende 14 oogen, met 15 welke hij u 16 tot binnen in de
ziel 17 zag 18, een gunstig voorkomen , en eene hou-
ding 20, waarin fierheid 21 en zelfvertrouwen 22, door 23
eene zekere gratie 24 getemperd 25, datgene uitmaakten 26,
wat men aan 27 koningen majesteit 28 pleegt te noemen 29.
Ik ontwaarde 30 dat hij een diadeem 31 droeg 32, hetwelk
hem tot 33 zulk eene houding recht ^af34, maar ik deed 35
alsof ik het niet hadde waargenomen 36.
1. betrachten.
2. genau.
3. fein.
4. mittelmäßig.
5. ©tatur, f. 3.
6. roo()lgebilbet.
7. au§er.
8. topf (6), m. 2.
9. auf, (4).
10. linfe ©chultcr,
f. 3.
11. hangen.*
12. breit.
13. ©tirn, f. 3.
14. funfein.
15. mit, (3)
16. tweede persoon
meerv.
17. bié in bie©eele
hinein.
18. fchen.*
19. eine glücfliche
©efichtébilbung.
20. sO?icne, f. 3.
21. ©tolj, m. 2.
22. ©elbftoertrauen,
n. 1.
23. burch, (4).
\
^Vervolg.
24. ©rajie, f. 3.
25. milbern.
26. aufmachen.
27. an, (3).
28. gjjajetfät, f. 3.
29. nennen.*
30. bemerfcn.
31. Siabem, n. 2.
32. tragen.
33. ju, (3).
34. berechtigen.
35. thun.*
36. wahrnehmen.*
En wie zijt gij {tweede pers. enkelv.) dan, antwoordde ik