Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
235
XXIII. OPSTELLEN OVER DE ONREGELMATIGE WERKWOORDEN.
149.
Ik lag 1 — aldus 2 laat 3 Wielaud zijn Diogenes spre-
ken 4> — ik lag op 5 een' schoonen herfstdag 6 onder 7 een'
cipres 8 iu het 9 Kranion, ea koederde mij in den zonne-
schijn 10, die voor oude lieden in 11 dit jaargetijde 12 zoo
aangenaam is, toen 13 ik onverwachts 14 in de zoete droo-
merijen 15, waaraan ik mij pleeg over te geven , wanneer
ik juist 17 niets heb te denken, door 18 een' onbekende ge-
stoord 19 werd, die, vergezeld 20 van eenige anderen, welke
iets beter dan zijne slaven 21, maar toch 22 niet zijns ge-
lijken 23 schenen, naar 24 mij toe kwam 25. Ik lette 26
daarop 27 in het hegin 28 niet; — maar toen%% hij mij
aansprak 30 begon 31 ik te merken, dat er 32 iemand tus-
schen 33 mij en de zon stond 34.
Zijt gij [tioeede persoon enkelv^ sprak 35 hij, terwijl 36
hij mij met eene zekere 37 vrijpostigheid 38, die bij 39 ge-
meene 40 lieden onbeschoftheid 41 genoemd 42 wordt, met 43
de oogen mat 44, — zijt gij die Diogenes, van wiens karak-
1. liegen. JU überladen 32. wordt hier niet
2. fo. pflege. vertaald.
3. la Ifen.* 17. fo eben. 33. jroifdjen (3).
4. reben. 18. Pon, (3). 34. ^ehen.*
5. an, (3). 19. jtöi-en. 35. fpred;en.*
6. h«rt>|ïtid;erS;ag. 20. in Begleitung. 36. inbem.
m. 2. 21. ©flaue, m. 3. 37. geiüig.
7. unter, (3). 22. boch. 38. ©reijïigfeit, f.
8. gi;pre(fe, f. 3. 23. feinet 6leichen. 39. bei, (3).
9. im (in bem). 24. auf, (4). 40. gemein.
10. beé ©onnen; 25. jugehen.* 41.Unöerfchamtheit,
fcheinó genie? 26. 2ld;t geben.* f. 3.
27. bai-auf. 42. nennen.*
11. in, (3). 28. anfangt. 43. mit, (3).
12. ^ahreéseif. 29. aber ba. 44. meffen.*
13. alé. 30. anreben. 45. (Eharafter,m.3.
14. unoermerft. 31. anfangen.* 46. Sanne, f. 3.
15. Sraumerei, f. 3. (scheidbaar) 47. in ganj ©rie?
16. benen ich "dch d;enlanb.