Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
234
onscheidbaar
en nemen het voorvoegsel ge in het verleden deelwoord niet
aan; b. v. mt§fallen, mishagen, eé mifftel mir, eé {)at mit
mißfallen, ju mißfallen, het mishaagde mij, het heeft mij
mishaagd, te mishagen.
«Siißlingen, mislukken, eé mißlingt, eé mißlang, eé i|ï
mißlungen, ju mißlingen, het mislukt, het mislukte, het
is mislukt, te mislukken.
Zoo ook mißrat^en, misraden, mislukken, mißtrauen,
mistrouwen, mißt>er|Iehen, verkeerd begrijpen, mißglÜcEen,
mislukken.
Andere {pverganTcelijhe of bedrijvende) nemen wel is waar
het voorvoegsel ge aan in het verleden deelwoord, maar zijn
echter insgelijks onscheidbaar.
SKiß bil Ilgen, afkeuren, id) mißbillige eé, mißbilligte eé,
habe eé gemißbiHigt, ju mißbilligen, ik keur het af, keurde
het af, heb het afgekeurd, af te keuren. Zoo ook mißbrau?
chen, misbruiken, mißbeuten, misduiden, mißgönnen, misgun-
nen, mißfennen, miskennen, mißleiten, misleiden en mißhanbeln,
in den zin van slecht behandelen.
Andere zijn scheidbaar
en nemen ge en ju niet vooraan, maar in het midden. Hier-
toe behooren de volgende niet onvergankelijke (onzijdige werk-
woorden :)
SKißtreten, mistreden, mißgetreten, mtßjufrefen, er (ritt miß,
misgetreden, mis te treden, hij treedt mis.
Zoo ook mißbieten, misbieden, mißge^en, misgaan, dwalen,
mißgreifen, misgrijpen, mißred;nen, zich misrekenen.
Ten slotte moeten wij hier nog met een woord gewagen
van de dubbele vervoeging van het werkwoord miß^anbeln:
Sliißhanbeln in de beteekenis van siecht handelen, zondi-
gen, wordt aldus vervoegd: ich h^nble miß, h<»nbel(e miß,
habe mißgehanbclt, mlßjuhanbeln.
Doch in de beteekenis van siecht behandelen, vervoegt men
het op deze wijze: er mißhanbelt ihn, mißhanbelte ihn, hot
ihn gemißhanbelt, ju mißhanbcln.