Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
228
Eenige werkwoorden schikken zich in hunne vervoeging,
naar hunne beteekenis, zoo dat zij (in de onbepaalde wijze
weinig of in het geheel niet van elkander verschillende) in
de eene beteekenis regelmatig, maar in de andere onregelmatig
zijn. De regelmatige zijn dan gewoonlijk bedrijvende, de
onregelmatige daarentegen onzijdige werhvoorden.
Eegelm atig
en bedrijvend zijn :
brennen, branden, onv. verl.
tijd, ich brennte, verl. deeho.
gebrennt,
beugen, buigen, ich beugte,
gebeugt,
b r a n g e n, dringen, ich brüng;
te, gebrängt,
«rlofchen, uitblusschen: fie
erlofdjten baé geuer.
erfäufen, verzuipen, ich «r;
fäufte, erfäuft.
erfchreden, schrik inboeze-
men, ich erfdjrccfte, erfd;rccEt.
fällen, vellen, (b. v. een'
boom) id) faütc, gefällt,
hängen, hangen, ich hängte;
b. V. ich hängte ben «n
ben Sïagel, gehängt.
quellen, doen zwellen, b. v.
erwten, id) quellte, gequellt,
fangen, zogen, ich fäugte,
gefäugt.
f ch I e i f c n, slepen, ich
gcfchicift.
fchmeljen, metaal, was, enz.
smelten, ich fchnieljte, ge?
fd;meljt.
Onregelmatig
en meestal onzijdig zijn:
brennen, branden, onv. verl.
tijd, ich brannte, verl. deelw.
gebrannt,
biegen, buigen, ich ^og, ge;
bogen.
bringen, dringen, ich brang,
gebrungen.
e r l ö f ch e n, uitgaan, baé geuer
erlofch.
erf au fen, ich erfoff, erfoffen.
erfchrecïen, schrik gevoelen.
Ich erfchraf, bin erfchrocfen.
fallen, vallen, ich f»«!/ Ö^fal'
Icn.
hangen, hangen, ich ^ing;
b. V. bcr J^ut hing an bem
SRagcl, gehangen, b. v. bcr
.^ut hat gehangen,
quellen, wellen, ich quoH,
gequollen,
faugen, zuigen, Ich fog, ge;
fogen.
fehl el fen, slijpen. Ich fchUff,
gefd)Ii|fcn.
fchmeljcn, smelten; b. v. baé
fchmiljt, het ijs smelt,
ich fchniplj/ gefchmoljen.