Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
maar men moet gebruik maken van het voorzetsel Don, van,
met den derden naamval: bcr 55ruber fprl(^t öon bcr ©c^mefter.
Zoo ook: de vader komt van de jacht, ber SSafer fommt fton
ber Sagb.
EEKSTE VERBUIGING.
De zelfstandige naamwoorden van deze verbuiging gaan uit
op el, er, en en lein; de twee eerste nemen in den derden
naamval van het meervoud eene n aan, en bij de vrouwelijke
zelfstandige naamwoorden voegt men ook eene n in al de naam-
vallen van het meervoud; uitgezonderd ?9ïuffer, moeder enSodjfer,
dochter, waarvan het meervoud is: bie ?0?ütfer, blê ÏÓC^ter.
M a n n e 1 ij k.
Enhelvoud. Meervond.
1. ber ©pieget, de spiegel. bie ©piegcl, de spiegels.
2. beé ©piegelé, des spiegels ber ©piegel, der of van de
of van den spiegel. spiegels.
3. bem ©piegel, den of aan ben ©ptegein, den of aan de
den spiegel. spiegels.
4. ben ©piegel, den spiegel. bie ©piegel, de spiegels.
Vrouwelijk.
Enhelvoud. Meervoud.
1. bie §eber, de pen. bie gebern, de pennen.
2. ber ^^ber, der of van de pen. ber ^ebern, der^van de pennen.
3. ber geber, der, de of aan ben ^ebern, den, de of aan
, de pen. de pennen.
4. bie geber, de pen. bie g^bern, de pennen.
O n z ij cl i g.
Enhelvoud. Meervoud.
1. baé Sïfabc^cn, het meisje. bie ?Ovabc^)cn, de meisjes.
2. beé SKabc^cné» des meisjes ber 5}ïabcl)en, der of van de
of van het meisje. meisjes.
3. bem 5)Iabc^en, het o/aan ben ?Kabc^)cn, den ^ aan de
het meisje. meisjes.
4. baé ïDJabc^en, het meisje. bie ?9ïabc^en, de meisjes.