Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
Een zelfstandig naamwoord staat in den vierden naamval,
wanneer hetzelve het voorwerp van een voorstel is, datgene
namelijk, op hetwelk de werking van het werkwoord recht-
streeks overgaat. Men vindt dezen naamval, wanneer men het
onderwerp en het werkwoord te zamen neemt en dan vraagt: tDcn?
wien? of ? wat? b. v. ^c^ Srfef gcfc^rtebcn,
ik heb den brief geschreven. Ik heb geschreven, wat? bctt
SÖrief, den brief, gr ücrfolgt ben getnb, hij vervolgt den
vijand. Hij vervolgt, wien? ben geinb, den vijand.
Men plaatst den derden naamval steeds voor den vierden,
gelijk dit ook in het Nederlandsch geschiedt, wanneer men geen
voorzetsel gebruikt; b. v. gr gab bcm ^acfcr baé @clb, hij
gaf het geld aan den bakker of hij gaf den bakker het geld.
Over de bijvoegelijke naamwoorden, werkwoorden en voor-
zetsels, welke den tweeden, derden of vierden naamval regee-
ren, zullen wij nader spreken, terwijl wij ze vooreerst waar
het noodig is, door getallen zullen aanduiden, b. v. aué (3)
beteekent, dat dit voorzetsel den derden naamval regeert.
Wanneer een zelfstandig naamwoord zoodanig bij een ander
gevoegd wordt, dat het als eene tweede benaming van het-
zelfde voorwerp kan beschouwd worden, dan staan die beide
zelfstandige naamwoorden in denzelfden naamval {in apposi(ie)
b. V. bcr Sob Sllejcanbcré/ beé .S'ónigé oon 5)i0ceb0nicn. -De
dood van Alexander, den Koning van Macedonië.
Daar, waar men in het Nederlandsch, in plaats van het voor-.
zetsel van met den vierden naamval, ook den tweeden naamval
zonder voorzetsel, {des, der) zou kunnen gebruiken, moet
men dit, over het algemeen, in het Hoogduitsch doen: b. v.
de neef van den onderwijzer {des onderwijzers), bcr 23cfter beö
iic^rcré» (niet t)On bcm Scorer) j de doos van de moeder {der
moeder), bie (?djarf)tcl ber SKutfer, (niet con bcr SDïutfcr);
de zoon van het huis, {des huizes) ber êol^n beé .^aufeé,
(niet üon bcm .^aufc). Doch daar, waar dit — de verande-
ring van van den, van het, van de in des, der — niet zou
kunnen plaats hebben, moet ook dit niet in het Hoog-
duitsch geschieden, b. v. de broeder spreekt van de zuster,
hier zou men niet kunnen zeggen der zuster, en dus behoort
men ook niet te vertalen: ber SÖrubcr fprtc^t ber ©c^n)c|ler.