Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
210
Cé gehort mtr, het behoort mij an @elb, het mangelt, het
toe. ontbreekt mij aan geld.
Cé geht mtr wohl/ het gaat eé mt§falltmir,hetmishaagtmij.
mij wel. eé migüngt mtr, eé migrath
cé itt mir warm, ik ben warm. mir, het mislukt mij.
eé gelingt mir, | het gelukt cé hot mir geträumt, ik heb
eé glücft mir, mij. gedroomd,
eé i|l mtr lieb, het is mij lief. eé fchroinbelt mir, ik word
eé mangelt mir / cé fehlt mir duizelig.
Aanmerking. In plaats van eé hunsert mich, enz., zegt
men ook mich enz. Zoo ook met die, welke den
derden naamval aannemen, b. v. mir ahnet, mir h^t geträumt,
in plaats van eé ahnet mir, eé hot mir geträumt.
XX Y. OPSTELLEN OVER DE ONPERSOONLIJKE NAAMWOORDEN.
146.
Het sneeuwt van daag 1, het sneeuwde gisteren 2, en,
naar alle waarscJdjnlijkheid 3, zal het morgen ook sneeuwen.
Laat het sneeuwen; ik wenschte 4 dat het nog 5 meer sneeuwde,
en dat het vroor 6; want ik ben zeer welvarende, als het
recht koud 7 is. Het waait van daag te sterk; wij zullen %
naar huis gaan 8. Het is nog vroeg 9, en ik ga nog niet 10
naar huis. "VVat is dat voor een dorp ? Ik geloof 11, dat het
Amstelveen is. Is er VI goede wijn? Ik geloof, dat er die
is 13. Hoe lang is het al, dat 14 in Holland «e}'^ 14?
Het is omtrent een jaar. Is het mogelijk 1 Het is onbegrijpe-
lijk 15 dat gij zoo goed Hollandsch spreekt.
1. heute. bepaalde wijze, 11. glauben.
2. geftern. frieren. 12. giebt eé ba (4).
3. aßem 2lnfcheln 7. recht fait. 13. bag eé ba einl?
nach. 8. wir wollen... gen giebt.
4. ich moate. 9. früh, [gehen. 14. 2öie lange ftnb
5. noch. 10- noch ©ie nun?
6. bag eé fröre, on: nic^jt. 15. unbegceijlich.
147.
Ik vermoedde 1 wel, dat gij honger zoudt hebben, en dat
mijn heer uw broeder dorst zou hebben; daarom 2 heb ik' u