Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
209
Zie liier eeiie lijst van onpersoonlijke werkwoorden, die
het «leest in gebruik zijn, en waarvan eenige in het Neder-
landsch niet, dan door eene omschrijving, kunnen worden
overgebracht.
het betaamt.
eé friert, het vriest,
eé ift warm, het is warm.
cé ijt het is heet.
eé ift fait, het is koud.
cé ift fc^oneé ïöctter, het is
schoon weder.
Cé ift fchlimmeé SOBetter, het
is slecht weder,
eé ift winblg, het waait.
De volgende nemen den vierden naamval bij zich.
Sé hungert mich, ben 3)îann, eé t)erbrlc§t mid;, het
ik heb honger, de man
heeft honger,
eé bürftet mich, heb dorst.
Cé fd;laferf mich, ik heb slaap,
vaak.
eé »erlangt mich, ik verlang,
eé reut mich, ik heb berouw.
CÖ nebelt, het nevelt.
e^ reift, het rijpt.
c^ fommt barauf an, het komt
er op aan.
eß trägt fich jU,! , , ,
eö bcgicbt fid;, ) ^etgebeurt.
e^ gebührt fid;,
cö gejiemt fich, .
eö fchicEt fid), het past.
driet mij.
eé fchaucrt mtch, ik ben hui-
verig.
eé bünft mich, het dunkt mij.
cé befrembct mich, het be-
vreemdt mij.
cé frieret mtch, ik ben koud.
De volgende nemen den derden naamval aan.
Êé ahnet mtr, bcm SJIanne, cé grauct mtr, ik heb er een
ik heb er een voorgevoel
van, de man heeft er een
voorgevoel van.
eé begegnet mtr, het gebeurt
mij, overkomt mij.
eé behagt mir, het behaagt,
bevalt mij.
eé fchetnt mtr, het schijnt mij toe.
eé hefelt mtr, het walgt mij.
Cé fattt mir letcht, het valt
mij gemakkelijk,
cé befommt mir, het bekomt mij.
eé gebührt mir, het komt mij
van rechtswege toe.
14° DRUK.
afkeer, een afgrijzen van.
eé ift of thut mir feib, het
doet mij leed.
Cé bäucht mtr, het dunkt mij.
eé fommt mir »or, het komt
mij voor.
cé ift mir wohl, ik ben wel-
varende, ik bevind mij wel.
eé ift mir übel, ik bevind
mij niot wel.
eé tft mtr angft, ik ben bang,
beangst.
Cé gefällt mir, het behaagt mij.
eé beliebt mtr, het belieft mij.
14