Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
de rede wordt aangeduid: dat voorwerp namelijk, waarvan
men iets zegt of bevestigt. Men vindt het door de vraag:
tDCr? wie? tüaé? wat? voor het werkwoord te plaatsen;
b. V. bcr Srubcr fdjrcibt, de broeder schrijft. Wie schrijft?
Antw. bcr SSrubcr, de broeder. gcucr brcnnt, het vuur
brandt. Wat brandt? 55aé gcucr, het vuur.
Deze eerste naamval wordt ook gebruikt, wanneer een zelf-
standig naamwoord voorkomt als aangesproken: J^ort, grcunbc!
hoort, vrienden!
Verder, wanneer een zelfstaiidig naamwoord het gezegde is
van een voorstel, datgene namelijk, wat men van het onder-
werp zegt of bevestigt, b. v.: ©ic 9ïad)tigaücn finb ©ingüógcl,
de nachtegalen zijn zangvogels.
Een zelfstandig naamwoord staat in den tweeden naamval
wanneer het bij een ander zelfstandig naamwoord gevoegd wordt
om den bezitter of de afkomst aan te duiden. Men vindt
dit op de vraag: rocffcn? wiens ? b. v. J)cr ©rubcr bcé SJIiniftcré,
de broeder des Ministers. Wiens broeder? bcé 33ïini(ïeré,
des Ministers, ©te ÏÏSerfc bcé Did)feré, de werken des dichters.
Men kan den tweeden naamval voor den eersten plaatsen,
maar dan verliest de laatste -het lidwoord, b. v. bcé 9)iin(fïcré
^rubcr, des Ministers broeder, enz. Om te antwoorden op de
vraag: wanneer? of: hoeveel keer? kan men ook de woorden
?E)torgen, Slbcnb, 93ïonat, alsmede de namen van de dagen
der week in den tweeden naamval plaatsen; b. v. wanneer komt
hij bij u? Antw. (beé) ïDJorgené unb (bcë) Slbcnbé, des morgens
en des avonds. Hoeveel keer schrijft hij u's maands ('s jaars)?
Antw. (£r fc^jrcibt mir brei ober oicrmal (beé) OJIonaté, (bcé)
fya^ré, hij schrijft mij drie of vier keer in de maand, des
jaars; bic ^ofi fommt iröctjentlid) ^mctmal an, de post komt
tweemaal in de week aan. Wanneer? Antw. bcé Sicnlïagé
unb (Sonnabcnbé, des Dinsdags en Zaterdags.
De derde naamval leert het zelfstandig naamwoord kennen
als het voorwerp ten behoeve van hetwelk, hetzij te zijnen
voordeele of te zijnen nadeele, de handeling strekt en ant-
woordt op de vraag: aBcm? wien? (aan wien)? b. v.
^abc Cé betn Söater gcgcbcn, ik heb het den vader gegeven.
Aan wien hebt gij het gegeven? bcm 2Sa(er, aan den vader.